Bijbel

1 Johannes

Nieuwe Testament · 5 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Dat de apostel en evangelist Johannes, de zoon van Zebedeüs en broer van Jakobus (Matth. 10:2), de discipel die de Heere liefhad (Joh. 13:23), deze zendbrief geschreven heeft, is nooit onder de christenen in twijfel getrokken. Het voornemen en oogmerk dat de apostel in deze brief heeft, is, zoals hij zelf aanwijst in Hoofdstuk 3:23, enerzijds de gelovigen te versterken in de waarheid van de leer van het Evangelie, en anderzijds hen te vermanen tot een godzalig leven, en in het bijzonder tot het beoefenen van de liefde. Deze beide zaken worden zo door elkaar behandeld dat hij nu eens over het ene, dan weer over het andere spreekt. Nadat hij eerst de zekerheid en het nut van de christelijke leer heeft voorgesteld, wijst hij erop dat hij die aan hen voorhoudt opdat zij gemeenschap mogen hebben met God, die Christus met zijn bloed voor ons verworven heeft, en die wij verkrijgen als wij onze zonden belijden, in hem geloven en in het licht wandelen, Hoofdstuk 1. Hij verklaart dat hij dit niet leert opdat wij daarop zouden zondigen, maar tot troost van de zondaren. Hij vermaant hen, zowel ouden als jongen, tot het onderhouden van het gebod van de liefde, en waarschuwt tegen de liefde voor de wereld. Hij waarschuwt voor de antichristen of valse leraren, en vermaant hen zich door dezen niet te laten verleiden, Hoofdstuk 2. Hij vermaant hen verder dat zij, omdat zij kinderen van God zijn, heilig moeten leven en de zonde moeten ontvluchten, en vooral elkaar moeten liefhebben, niet met woorden alleen maar met de daad, Hoofdstuk 3. Daarna dat zij zich voor de valse leraren moeten hoeden, en opnieuw dat zij elkaar moeten liefhebben, Hoofdstuk 4. Hij leert wie zij zijn die uit God geboren zijn, en dat de liefde tot God en tot de naaste niet gescheiden kunnen worden, en bewijst dat Jezus Christus de enige Zaligmaker is, en dat wij in hem moeten geloven en de afgoden moeten ontvluchten, Hoofdstuk 5.