1 Koningen
Oude Testament · 22 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
In dit boek en het volgende is de geschiedenis beschreven van de koningen die het volk van God geregeerd hebben, van David af tot aan de Babylonische ballingschap. Daarom worden zij het eerste en tweede boek der Koningen genoemd. Het eerste begint met het verhaal over de ziekte en het overlijden van koning David, waarop de regering van zijn zoon Salomo gevolgd is. Nadat deze van zijn vader een goede vermaning ontvangen had om zijn leven goed in te richten, en een wijze aanwijzing om zijn rijk te bevestigen, en nadat God hem geëerd had door hem aan te spreken, werd hij ook in zijn persoon gezegend met wijsheid, rijkdom en eer, en in zijn land met vrede, handel en overvloed van alle dingen. Nadat hij orde in zijn hof en huis gesteld had, bouwt en wijdt hij voor de HEERE een tempel, en richt hij daarnaast enkele koninklijke bouwwerken op. Hij wordt zo beroemd dat hij plechtig bezocht en geëerd wordt door de koningin van Scheba en door de omringende volken, met aanbieding van vriendschap en met geschenken. Maar nadat hij daarna door het nemen van veel heidense vrouwen tot afgoderij vervallen is, vertoornt hij God, die hem vijanden verwekt en door zijn profeet Ahia de verscheuring van zijn rijk laat aankondigen. Dit is nu gebeurd toen zijn zoon Rehabeam door onverstandige raad tien stammen van zich vervreemd heeft, die Jerobeam de zoon van Nebat tot hun koning aangenomen hebben. Rehabeam heeft niets dan Juda behouden, met een deel van Benjamin. Ook wordt hem door God verboden om de afgevallen stammen door wapengeweld, zoals hij van plan was, weer aan zich te onderwerpen. Vanwege zijn eigen zonden en die van het volk wordt de tempel van Jeruzalem door Sisak, de koning van Egypte, beroofd. Zijn zoon Abiam volgt hem op in zijn rijk en in zijn zonden; maar Asa en Josafat hervormden, omdat zij godvruchtig waren, de godsdienst. Wat betreft de koningen die na de verdeling van de stammen over Israël geregeerd hebben en over wie in dit eerste boek gesproken wordt: die zijn allen afgodendienaars geweest, die de ware godsdienst door afgodische gruwelen bedorven hebben. Want Jerobeam heeft, behalve het oprichten van twee gouden kalveren, bijna de hele godsdienst veranderd en naar zijn eigen inzicht priesters aangesteld, waardoor hij de tien stammen van de ware godsdienst en van de oprechte godsvrucht heeft afgekeerd. Zijn opvolgers traden in zijn voetstappen, maar Achab in het bijzonder. Want behalve de afgoderij, waarin hij de vorige koningen overtrof, heeft hij grote tirannie bedreven tegen de ware gelovigen die nog in zijn rijk overgebleven waren. Om die redenen is de scepter van Israël niet in één geslacht gebleven, zoals wel in Juda, maar door verschrikkelijke onlusten en wrede bloedvergieten van tijd tot tijd op anderen overgegaan. Hoewel het nu niet ontbrak aan de vermaningen van de profeten Ahia, Semaja, Iddo, Azaria, Jehu, Hanani, Elia en Micha, die door God uitgezonden waren om die afvallige Israëlieten tot bekering te roepen, zijn die toch bij de meerderheid vruchteloos geweest, zelfs toen zij door uitzonderlijke wonderen bekrachtigd werden. In Juda waren de waarheid van de leer en de zuiverheid van de godsdienst steviger geworteld, omdat de vrome koningen daarbij de profeten de hand boven het hoofd hielden en het vervallene met buitengewone ijver weer hebben opgericht. Daarom hebben wij in dit boek, evenals in het volgende, een zeer fraai tafereel, waarin ons levendig wordt afgeschilderd hoe wisselvallig de toestand is waaraan de zichtbare kerk in deze wereld onderworpen is, en welke onveranderlijke trouw God aan zijn uitverkoren overblijfsel, meestal onzichtbaar voor de ogen van de mensen, nooit opgehouden heeft te bewijzen. Dit boek omvat de geschiedenis van 118 jaar, waarvan er 40 behoren tot de regering van Salomo en 78 tot de regering van de volgende koningen van Juda en Israël, voor zover hun geschiedenis in dit boek beschreven wordt.