1 Koningen 10
Lees 1 Koningen 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De koningin van Scheba komt naar Jeruzalem, vers 1 enz. zij verwondert zich over Salomo's wijsheid en heerlijkheid, 3. dankt God, 9. geeft Salomo geschenken, 10. Salomo's rijkdom, 11. beukelaars en schilden, 16. ivoren troon, 18. voorwerpen, 21. geschenken die hij ontvangt, 24. wagens en paarden, 26. zilver, cederhout en de handel in paarden en waren, 27.
1En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van JAHWEH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken.
2En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zwaar leger, met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel goud, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was.
3En Salomo verklaarde haar al haar woorden; geen ding was er verborgen voor de koning, dat hij haar niet verklaarde.
4Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had,
5En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van JAHWEH, zo was in haar geen geest meer.
6En zij zei tot de koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.
7Ik heb die woorden niet geloofd, voordat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft is mij niet aangezegd; u hebt met wijsheid en goed overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.
8Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die steeds voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen!
9Geloofd zij JAHWEH, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israël te zetten! Omdat JAHWEH in eeuwigheid van Israël houdt, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
10En zij gaf de koning honderd en twintig talenten goud, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen.
11Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.
12En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis van JAHWEH, en voor het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op deze dag.
13En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van de koning Salomo; zo keerde zij en trok in haar land, zij en haar knechten.
14Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op één jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten goud;
15Behalve dat van de marskramers was, en van de handel van de kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van de landvoogden van dat land.
16Ook maakte de koning Salomo tweehonderd grote schilden van geslagen goud; zeshonderd sikkels goud liet hij opwegen tot elk groot schild.
17Ook driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond goud liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van Libanon.
18Ook maakte de koning een grote ivoren troon, en hij overtrok die met dicht goud.
19Deze troon had zes trappen, en het hoofd van de troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen.
20En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, zoiets is in geen enkel koninkrijk gemaakt geweest.
21Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle voorwerpen van het huis van het woud van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Salomo niet voor enig ding geacht.
22Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaar, en brachten goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
23Zo werd de koning Salomo groter dan alle koningen van de aarde, in rijkdom en in wijsheid.
24En de hele aarde zocht het aangezicht van Salomo, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.
25En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen, elk ding van jaar tot jaar.
26Daartoe verzamelde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.
27En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.
28En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden van de koning namen het linnen garen voor de prijs.
29En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkels zilver, en een paard voor honderd en vijftig; en zo voerden ze die uit door hun hand voor alle koningen van de Hethieten, en voor de koningen van Syrië.