1 Koningen 13
Lees 1 Koningen 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Een profeet van Juda profeteert tegen het altaar te Bethel, vers 1 enz. de profetie wordt door wonderen bevestigd, 3. de profeet, uitgenodigd door Jerobeam om met hem te eten, weigert en vertrekt, 7. een oude profeet verleidt hem zodat hij terugkeert, 11. hij wordt daarover door God via de oude profeet bestraft, 20. en gedood door een leeuw, 23. de oude profeet begraaft hem als hij dat verneemt, 25. en bevestigt zijn profetie, 31. Jerobeams hardnekkigheid, 33.
1En ziet, een man van God kwam uit Juda, door het woord van JAHWEH tot Beth-el; en Jerobeam stond bij het altaar, om te roken.
2En hij riep tegen het altaar, door het woord van JAHWEH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt JAHWEH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
3En hij gaf op diezelfde dag een wonderteken, zeggende: Dit is dat wonderteken, waarvan JAHWEH gesproken heeft; zie, het altaar zal vaneen gescheurd, en de as, die daarop is, afgestort worden.
4Het gebeurde nu, als de koning het woord van de man van God hoorde, dat hij tegen het altaar te Beth-el geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijp hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weer tot zich trekken kon.
5En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man van God gegeven had, door het woord van JAHWEH.
6Toen antwoordde de koning, en zei tot de man van God: Aanbid toch het aangezicht van JAHWEH, uw God, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij kome! Toen bad de man van God het aangezicht van JAHWEH ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd zoals te voren.
7En de koning sprak tot de man van God: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.
8Maar de man van God zei tot de koning: Al gaf u mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.
9Want zo heeft mij JAHWEH geboden door Zijn woord, zeggende: U zult geen brood eten, noch water drinken; en u zult niet terugkeren door de weg, die u gegaan bent.
10En hij ging door een andere weg, en keerde niet weer door de weg waarlangs hij te Beth-el gekomen was.
11Een oud profeet nu woonde te Beth-el; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man van God op die dag in Beth-el gedaan had, met de woorden, die hij tot de koning gesproken had; deze vertelden zij ook hun vader.
12En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij gegaan? En zijn zonen hadden de weg gezien, die de man van God was gegaan, die uit Juda gekomen was.
13Toen zei hij tot zijn zonen: Zadel mij de ezel. En zij zadelden hem de ezel, en hij reed daarop.
14En hij trok de man van God na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zei tot hem: Bent u de man van God, die uit Juda gekomen bent? En hij zei: Ik ben het.
15Toen zei hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood.
16Maar hij zei: Ik kan niet met u terugkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats.
17Want een woord is tot mij gebeurd door het woord van JAHWEH: U zult daar noch brood eten, noch water drinken; u zult niet terugkeren, gaande door de weg, waarlangs u gegaan bent.
18En hij zei tot hem: Ik ben ook een profeet, zoals u, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord van JAHWEH, zeggende: Breng hem weer met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Maar hij loog hem.
19En hij keerde met hem terug, en at brood in zijn huis, en dronk water.
20En het gebeurde, als zij aan de tafel zaten, dat het woord van JAHWEH kwam tot de profeet, die hem had doen terugkeren;
21En hij riep tot de man van God, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Omdat u tegen de mond van JAHWEH opstandig bent geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u JAHWEH, uw God, geboden had,
22Maar bent teruggekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: U zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in het graf van uw vader niet komen.
23En het gebeurde, nadat hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij hem de ezel zadelde, te weten voor de profeet, die hij had doen terugkeren.
24Zo trok hij heen, en een leeuw vond hem op de weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op de weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.
25En ziet, er gingen mensen voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op de weg, en de leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde.
26Als de profeet, die hem van de weg had doen terugkeren, dit hoorde, zo zei hij: Het is de man van God, die tegen de mond van JAHWEH opstandig is geweest; daarom heeft JAHWEH hem de leeuw overgegeven, die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord van JAHWEH, dat Hij tot hem gesproken had.
27Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadel mij de ezel. En zij zadelden hem.
28Toen trok hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op de weg, en de ezel, en de leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en de ezel niet gebroken.
29Toen nam de profeet het dode lichaam van de man van God op, en legde dat op de ezel, en voerde het terug; zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven.
30En hij legde zijn dood lichaam in zijn graf; en zij bedreven rouw over hem: Ach, mijn broeder!
31Het gebeurde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man van God begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen.
32Want de zaak zal zeker gebeuren, die hij door het woord van JAHWEH uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen van de hoogten, die in de steden van Samaria zijn.
33Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn boze weg; maar maakte opnieuw priesters van de hoogten van de geringsten van het volk; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd één van de priesters van de hoogten.
34En hij werd in deze zaak het huis van Jerobeam tot zonde, om het te doen afsnijden en te vernietigen van de aardbodem.