Bijbel1 Koningen

1 Koningen 18

Lees 1 Koningen 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Elia wordt gezonden naar Achab, vers 1 enz. ontmoet Obadja, 7. draagt hem op de koning van zijn komst op de hoogte te stellen, 8. spreekt Achab aan, 17. daarna de gemeente en de profeten van Baäl, 21. dezen staan beschaamd, 26. De HEERE maakt zich bekend met een teken aan het offer van Elia, 30. De profeten van Baäl worden gedood, 40. De regen wordt door Elia's gebed verkregen, 41.

1En het gebeurde na vele dagen, dat het woord van JAHWEH kwam tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem.

2En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria.

3En Achab had Obadja, de hofmeester, geroepen; en Obadja was JAHWEH zeer vrezende.

4Want het gebeurde, als Izebel de profeten van JAHWEH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een grot, en onderhield hen met brood en water.

5En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.

6En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op één weg, en Obadja ging ook bijzonder op één weg.

7Als nu Obadja op de weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zei: Bent u mijn heer Elia?

8Hij zei: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier.

9Maar hij zei: Wat heb ik gezondigd, dat u uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode?

10Zo waarachtig als JAHWEH, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af; dat zij u niet hadden gevonden.

11En nu zegt u: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier.

12En het mocht gebeuren, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest van JAHWEH u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees JAHWEH van mijn jeugd af.

13Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten van JAHWEH doodde? Dat ik van de profeten van JAHWEH honderd man heb verborgen, elk vijftig man in een grot, en die met brood en water onderhouden heb?

14En nu zegt u: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier, en hij zou mij doodslaan.

15En Elia zei: Zo waarachtig als JAHWEH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij vandaag aan hem vertonen!

16Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zei het hem aan; en Achab ging Elia tegemoet.

17En het gebeurde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zei: Bent u die beroerder van Israël?

18Toen zei hij: Ik heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar u en het huis van uw vader, daarmee, dat u de geboden van JAHWEH verlaten hebt en de Baäls nagevolgd bent.

19Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het hele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.

20Zo zond Achab onder alle Israëlieten, en verzamelde de profeten op de berg Karmel.

21Toen naderde Elia tot het hele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo God JAHWEH is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet één woord.

22Toen zei Elia tot het volk: Ik ben alleen een profeet van JAHWEH overgebleven, en de profeten van Baäl zijn vierhonderd en vijftig mannen.

23Dat men ons dan twee stieren geve, en dat zij voor zich de ene stier kiezen, en die in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal de andere stier bereiden, en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen.

24Roep u daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam van JAHWEH aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het hele volk antwoordde en zei: Dat woord is goed.

25En Elia zei tot de profeten van Baäl: Kies u voor u de ene stier, en bereidt u hem eerst, want u bent velen; en roept de naam van uw god aan, en legt geen vuur daaraan.

26En zij namen de stier, die hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen de naam van Baäl aan, van de morgen tot op de middag, zeggende: O Baäl, antwoord ons! Maar er was geen stem en geen antwoorder. En zij sprongen tegen het altaar, dat men gemaakt had.

27En het gebeurde op de middag, dat Elia met hen spotte, en zei: Roep met luide stem, want hij is een god; omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij een reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden.

28En zij riepen met luide stem, en zij sneden zichzelf met messen en met priemen, naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten.

29Het gebeurde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden totdat men het voedseloffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking.

30Toen zei Elia tot het hele volk: Nader tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij herstelde het altaar van JAHWEH, dat verbroken was.

31En Elia nam twaalf stenen, naar het getal van de stammen van de kinderen van Jakob, tot wie het woord van JAHWEH gebeurd was, zeggende: Israël zal uw naam zijn.

32En hij bouwde met die stenen het altaar in de Naam van JAHWEH; daarna maakte hij een groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaads.

33En hij stelde het hout op, en deelde de stier in stukken, en legde hem op het hout.

34En hij zei: Vul vier kruiken met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zei: Doet het voor de tweede keer. En zij deden het voor de tweede keer. Verder zei hij: Doet het voor de derde keer. En zij deden het voor de derde keer;

35Dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de groeve met water.

36Het gebeurde nu, als men het voedseloffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zei: JAHWEH, God van Abraham, Izak en Israël, dat het vandaag bekend worde, dat U God in Israël bent, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb.

37Antwoord mij, JAHWEH, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat U, o JAHWEH, die God bent, en dat U hun hart achteruit omgewend hebt.

38Toen viel het vuur van JAHWEH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was.

39Als nu het hele volk dat zag, zo vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: JAHWEH is God, JAHWEH is God!

40En Elia zei tot hen: Grijp de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte hen daar.

41Daarna zei Elia tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedige regen.

42Zo trok Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit vooruit ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën.

43En hij zei tot zijn jongen: Ga nu op, en zie uit naar de zee. Toen ging hij op, en zag uit, en zei: Er is niets. Toen zei hij: Ga weer heen, zevenmaal.

44En het gebeurde op de zevende maal, dat hij zei: Zie, een kleine wolk, als de hand van een man, gaat op van de zee. En hij zei: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude.

45En het gebeurde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en trok naar Jizreël.

46En de hand van JAHWEH was over Elia, en hij gordde zijn middel, en liep voor het aangezicht van Achab heen, tot daar men te Jizreël komt.