1 Koningen 20
Lees 1 Koningen 20 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Benhadad belegert Samaria, en zijn eerste verlangen wordt hem ingewilligd, vers 1 enz. het tweede wordt hem afgewezen, 5. daarom maakt hij zich gereed om de stad te bestormen, 10. Achab biedt tegenweer op raad en belofte van een profeet, en behaalt twee keer de overwinning, 13. Benhadad moet zich verbergen, 30. Achab sluit vrede met hem, 33. Een profeet, die zich eerst laat slaan, 35. bestraft Achab, 39.
1En Benhadad, de koning van Syrië, verzamelde al zijn macht; en twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagens; en hij trok op, en belegerde Samaria en streed tegen haar.
2En hij zond boden tot Achab, de koning van Israël, in de stad.
3En hij zei hem aan: Zo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is van mij, daartoe uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn van mij.
4En de koning van Israël antwoordde en zei: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben uwe, en al wat ik heb.
5Daarna kwamen de boden weer, en zeiden: Zo spreekt Benhadad, zeggende: Ik heb wel tot u gezonden, zeggende: Uw zilver, en uw goud, en uw vrouwen, en uw kinderen zult u mij geven;
6Maar morgen om deze tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen van uw knechten bezoeken; en het zal gebeuren, dat zij al het begeerlijke van uw ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen.
7Toen riep de koning van Israël alle oudsten van het land, en zei: Merk toch en ziet, dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden, om mijn vrouwen, en om mijn kinderen, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd.
8Maar al de oudsten, en het hele volk, zeiden tot hem: Hoor niet, en bewillig niet.
9Daarom zei hij tot de boden van Benhadad: Zeg mijn heer de koning: Alles, waarom u in het eerst tot uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zo gingen de boden heen en brachten hem bescheid weer.
10En Benhadad zond tot hem en zei: De goden doen mij zo, en doen zo daartoe, als het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijn voetstappen volgt!
11Maar de koning van Israël antwoordde en zei: Spreek tot hem: Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich los maakt.
12En het gebeurde, als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de koningen in de tenten, dat hij zei tot zijn knechten: Leg aan! En zij legden aan tegen de stad.
13En ziet, een profeet trad tot Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt JAHWEH: Hebt u gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze vandaag in uw hand geven, opdat u weet, dat Ik JAHWEH ben.
14En Achab zei: Door wie? En hij zei: Zo zegt JAHWEH: Door de jongens van de oversten van de gewesten. En hij zei: Wie zal de strijd aanbinden? En hij zei: U.
15Toen telde hij de jongens van de oversten van de gewesten, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de Israëlieten, zeven duizend.
16En zij trokken uit op de middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hem hielpen.
17En de jongens van de oversten van de gewesten trokken eerst uit. Maar Benhadad zond enige uit, en zij boodschapten hem, zeggende: Uit Samaria zijn mannen uitgetogen.
18En hij zei: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt hen levend; hetzij ook, dat zij ten strijde uitgetogen zijn, grijpt hen levend.
19Zo trokken deze jongens van de oversten van de gewesten uit de stad, en het leger, dat hen navolgde.
20En een ieder sloeg zijn man, zodat de Syriërs vluchtten, en Israël jaagde hen na. Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam op een paard, met enige ruiteren.
21En de koning van Israël trok uit, en sloeg paarden en wagens, dat hij een grote slag aan de Syriërs sloeg.
22Toen trad die profeet tot de koning van Israël, en zei tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat u doen zult; want met de wederkomst van het jaar zal de koning van Syrië tegen u optrekken.
23Want de knechten van de koning van Syrië hadden tot hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij!
24Daarom doe deze zaak: Doe de koningen weg, elk uit zijn plaats, en stel landvoogden in hun plaats.
25En u, tel u een leger, als dat leger, dat van u gevallen is, en paarden, als die paarden, en wagens, als die wagens; en laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hun stem, en deed zo.
26Het gebeurde nu met de wederkomst van het jaar, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij trok op naar Afek, ten strijde tegen Israël.
27De Israëlieten werden ook gemonsterd, en waren verzorgd van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de Israëlieten sloegen hun kamp op tegenover hen, als twee blote geitenkudden, maar de Syriërs vervulden het land.
28En de man van God trad toe, en sprak tot de koning van Israël, en zei: Zo zegt JAHWEH: Omdat de Syriërs gezegd hebben: JAHWEH is een God van de bergen, en Hij is niet een God van de laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat u weet, dat Ik JAHWEH ben.
29En deze waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het gebeurde nu op de zevende dag, dat de strijd aanging; en de Israëlieten sloegen van de Syriërs honderd duizend voetvolks op één dag.
30En de overgeblevenen vluchtten naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.
31Toen zeiden de knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis van Israël goedertierene koningen zijn; laat ons toch zakken om ons middel leggen, en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot de koning van Israël; mogelijk zal hij uw ziel in het leven behouden.
32Toen gordden zij zakken om hun middel, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot de koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.
33De mannen nu namen ijverig waar, en vatten het haastig, of het van hem was, en zeiden: Uw broer Benhadad leeft. En hij zei: Kom, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op de wagen klimmen.
34En hij zei tot hem: De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damascus, zoals mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan.
35Toen zei een man uit de zonen van de profeten tot zijn naaste, door het woord van JAHWEH: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.
36En hij zei tot hem: Omdat u de stem van JAHWEH niet gehoorzaam bent geweest, zie, als u van mij weggegaan bent, zo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg.
37Daarna vond hij een andere man, en zei: Sla mij toch. En die man sloeg hem, slaande en wondende.
38Toen ging de profeet heen, en stond voor de koning op de weg; en hij verstelde zich met as boven zijn ogen.
39En het gebeurde, als de koning voorbijging, dat hij tot de koning riep, en zei: Uw knecht was uitgegaan in het midden van de strijd; en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij een man, en zei: Bewaar deze man, als hij enigszins gemist wordt, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, of u zult een talent zilver opwegen.
40Het gebeurde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet was. Toen zei de koning van Israël tot hem: Zo is uw oordeel; u hebt zelf het geveld.
41Toen haastte hij zich, en deed de as af van zijn ogen; en de koning van Israël kende hem, dat hij één van de profeten was.
42En hij zei tot hem: Zo zegt JAHWEH: Omdat u de man, die Ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.
43En de koning van Israël trok heen, somber gestemd en boos, naar zijn huis, en kwam te Samaria.