1 Koningen 21
Lees 1 Koningen 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Achab verlangt de wijngaard van Naboth te kopen, vers 1 enz. wat Naboth hem weigert, 3. Izebel belooft Achab die te leveren, 7. zorgt dat Naboth gestenigd wordt, 8. Achab neemt de wijngaard in bezit, 15. Hierop wordt aan hem en de zijnen door Elia hun ondergang voorzegd, 17. die, omdat Achab een uiterlijk teken van leedwezen geeft, 27. wordt uitgesteld, 29.
1Het gebeurde nu na deze dingen, dat Naboth, een Jizreëliet, een wijngaard had, die te Jizreël was, bij het paleis van Achab, de koning van Samaria.
2Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, omdat hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld de waarde daarvan geven.
3Maar Naboth zei tot Achab: Dat late JAHWEH verre van mij zijn, dat ik u de erfenis van mijn vaders geven zou!
4Toen kwam Achab in zijn huis, geïrriteerd en boos over het woord, dat Naboth, de Jizreëliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erfenis van mijn vaders niet geven. En hij legde zich neer op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood.
5Maar Izebel, zijn huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is, en dat u geen brood eet?
6En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, de Jizreëliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven.
7Toen zei Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zou u nu het koninkrijk over Israël regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, geven.
8Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.
9En zij schreef in die brieven, zeggende: Roep een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats van het volk;
10En zet tegenover hem twee mannen, zonen van Belial, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning vaarwel gezegd; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.
11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel tot hen gezonden had; zoals geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had.
12Zij riepen een vasten uit; en zij zetten Naboth in de hoogste plaats van het volk.
13Toen kwamen de twee mannen, zonen van Belial, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.
14Daarna zonden zij tot Izebel, zeggende: Naboth is gestenigd en is dood.
15Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tot Achab zei: Sta op, bezit de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, erfelijk, die hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood.
16En het gebeurde, als Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, af te gaan, om die erfelijk te bezitten.
17Maar het woord van JAHWEH kwam tot Elia, de Thisbiet, zeggende:
18Maak u op, ga heen af, Achab, de koning van Israël, tegemoet, die in Samaria is; zie hij is in de wijngaard van Naboth, waarheen hij afgegaan is, om die erfelijk te bezitten.
19En u zult tot hem spreken, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Hebt u doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult u tot hem spreken, zeggende: Zo zegt JAHWEH: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen de honden uw bloed likken, ja het uwe!
20En Achab zei tot Elia: Hebt u mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zei: Ik heb u gevonden, omdat u uzelf verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen van JAHWEH.
21Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël.
22En Ik zal uw huis maken zoals het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en zoals het huis van Baësa, de zoon van Ahia; om de terging, waarmee u Mij getergd hebt, en dat u Israël hebt doen zondigen.
23Verder ook over Izebel sprak JAHWEH, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan de voorwal van Jizreël.
24Die van Achab sterft in de stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten.
25Maar er was niemand geweest zoals Achab, die zichzelf verkocht had, om te doen dat kwaad is in de ogen van JAHWEH, omdat Izebel, zijn huisvrouw, hem ophitste.
26En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de afgoden; naar alles, wat de Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had.
27Het gebeurde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neer in de zak, en ging langzaam.
28En het woord van JAHWEH kwam tot Elia, de Thisbiet, zeggende:
29Hebt u gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Omdat hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen van zijn zoon zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen.