Bijbel1 Koningen

1 Koningen 22

Lees 1 Koningen 22 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Achab wil oorlog voeren tegen de Syriërs, vers 1 enz. wordt door Josafat geraden dat men God eerst via zijn profeten om raad zou vragen, 5. Achabs profeten raden daartoe, 6. vooral Zedekia, 11. Micha, een profeet van de Heere, raadt het af, 13. wordt daarover door Zedekia geslagen, 24. en door Achab in de gevangenis gezet, 26. Achab trekt ten strijde, wordt geschoten en sterft, 29. de honden likken zijn bloed, 38. Josafats regering over Juda, 41. Ahazia, de zoon van Achab, regeert in de plaats van zijn vader, 52.

1En zij zaten drie jaar stil, dat er geen strijd was tussen Syrië en tussen Israël.

2Maar het gebeurde in het derde jaar, als Josafat, de koning van Juda, tot de koning van Israël afgekomen was,

3Dat de koning van Israël tot zijn knechten zei: Weet u, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië.

4Daarna zei hij tot Josafat: Zult u met mij trekken in de strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zei tot de koning van Israël: Zo zal ik zijn zoals u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

5Verder zei Josafat tot de koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord van JAHWEH.

6Toen verzamelde de koning van Israël de profeten, ongeveer vierhonderd man, en hij zei tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want JAHWEH zal ze in de hand van de koning geven.

7Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet van JAHWEH, dat wij het van hem vragen mochten?

8Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog één man, om door hem JAHWEH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet zo!

9Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zei: Haal haastig Micha, de zoon van Jimla.

10De koning van Israël nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun kleren, op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun aanwezigheid.

11En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zei: Zo zegt JAHWEH: Met deze zult u de Syriërs stoten, totdat u hen geheel verdaan zult hebben.

12En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult voorspoedig zijn; want JAHWEH zal hen in de hand van de koning geven.

13De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden van de profeten zijn uit één mond goed tot de koning; dat toch uw woord zij, zoals het woord van één uit hen, en spreek het goede.

14Maar Micha zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, wat JAHWEH tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken.

15Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want JAHWEH zal ze in de hand van de koning geven.

16En de koning zei tot hem: Tot hoe vele reizen zal ik u bezweren, opdat u tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid, in de Naam van JAHWEH?

17En hij zei: Ik zag het hele Israël verstrooid op de bergen, zoals schapen, die geen herder hebben; en JAHWEH zei: Deze hebben geen heer; ieder kere weer naar zijn huis in vrede.

18Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren?

19Verder zei hij: Daarom hoort het woord van JAHWEH: Ik zag JAHWEH, zittende op Zijn troon, en al het hemelse leger staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.

20En JAHWEH zei: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zei zo, en de andere zei zo.

21Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht van JAHWEH, en zei: Ik zal hem overreden.

22En JAHWEH zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult er ook in slagen; ga uit en doe zo.

23Nu dan, zie, JAHWEH heeft een leugengeest in de mond van al deze uw profeten gegeven; en JAHWEH heeft kwaad over u gesproken.

24Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op de kaak; en hij zei: Door wat weg is de geest van JAHWEH van mij doorgegaan, om u aan te spreken?

25En Micha zei: Zie, u zult het zien, op die dag, als u zult gaan van kamer in kamer, om u te verbergen.

26De koning van Israël nu zei: Neem Micha, en breng hem weer tot Amon, de overste van de stad, en tot Joas, de zoon van de koning;

27En u zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in de gevangenis, en spijst hem met brood van de bedruktheid, en met water van de bedruktheid, totdat ik met vrede wederkom.

28En Micha zei: Als u enigszins met vrede wederkomt, zo heeft JAHWEH door mij niet gesproken! Verder zei hij: Hoor, u volken altegaar!

29Zo trok de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

30En de koning van Israël zei tot Josafat: Als ik mij vermomd heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek uw kleren aan. Zo vermomde zich de koning van Israël, en kwam in de strijd.

31De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten van de wagens, van wie hij er twee en dertig had, zeggende: U zult noch kleinen noch groten bestrijden, maar de koning van Israël alleen.

32Het gebeurde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Zeker, die is de koning van Israël, en zij keerden zich naar hem, om te strijden; maar Josafat riep uit.

33En het gebeurde, als de oversten van de wagens zagen, dat hij de koning van Israël niet was, dat zij zich van achter hem afkeerden.

34Toen spande een man de boog in zijn eenvoud, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond.

35En de strijd nam op dezelfde dag toe, en de koning werd met de wagen staande gehouden tegenover de Syriërs; maar hij stierf 's avonds, en het bloed van de wonde vloeide in de bak van de wagen.

36En er ging een uitroeping door het leger, als de zon onderging, zeggende: Een ieder kere naar zijn stad, en een ieder naar zijn land!

37Zo stierf de koning, en werd naar Samaria gebracht; en zij begroeven de koning te Samaria.

38Als men nu de wagen in de vijver van Samaria spoelde, lekten de honden zijn bloed, waar de hoeren zich wasten, naar het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken had.

39Het overige nu van de geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, en het ivoren huis, dat hij gebouwd heeft, en al de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?

40Zo ontsliep Achab met zijn vaders; en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats.

41Josafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël.

42Josafat was vijf en dertig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi.

43En hij wandelde in al de weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen van JAHWEH.

44Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.

45En Josafat maakte vrede met de koning van Israël.

46Het overige nu van de geschiedenissen van Josafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

47Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.

48Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning.

49En Josafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-geber.

50Toen zei Ahazia, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Josafat wilde niet.

51En Josafat ontsliep met zijn vaders, en werd bij zijn vaders begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

52Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israël.

53En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; want hij wandelde in de weg van zijn vader, en in de weg van zijn moeder, en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.

54En hij diende Baäl, en boog zich voor hem, en vertoornde JAHWEH, de God van Israël, naar alles, wat zijn vader gedaan had.