Bijbel1 Koningen

1 Koningen 4

Lees 1 Koningen 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De voornaamste vorsten en ambtenaren van Salomo, vers 1 enz. de grootheid van zijn koninkrijk, 20, 24. Zijn dagelijkse voeding voor zijn hof, 22. zijn paardenstallen, 26. zijn grote wijsheid, 29.

1Zo was de koning Salomo koning over geheel Israël.

2En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman.

3Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.

4En Benaja, de zoon van Jojada, was over het leger; en Zadok en Abjathar waren priesters.

5En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, de vriend van de koning.

6En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de belasting.

7En Salomo had twaalf bestelmeesters over geheel Israël, die de koning en zijn huis verzorgden; voor elk was één maand in het jaar om te verzorgen.

8En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraïm.

9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-semes, en Elon-beth-hanan.

10De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het hele land Hefer.

11De zoon van Abinadab had de hele landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw.

12Baäna, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het hele Beth-sean, dat is bij Zartana, beneden van Jizreël, van Beth-sean aan tot Abel-mehola, tot aan de overzijde van Jokmeam.

13De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, die is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendels.

14Abinadab, de zoon van Iddo, was te Mahanaim.

15Ahimaäz was in Nafthali; deze nam ook Salomo's dochter, Basmath, tot vrouw.

16Baäna, de zoon van Husai, was in Aser en in Aloth.

17Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar.

18Simeï, de zoon van Ela, in Benjamin.

19Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan, en hij was de enige bestelmeester, die in dat land was.

20Juda nu en Israël waren velen, als zand, dat aan de zee is in menigte, etende, en drinkende, en blij zijnde.

21En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land van de Filistijnen, en tot aan de grens van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen van zijn leven.

22Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;

23Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgezonderd de herten, en reeën, en buffelen en gemeste vogels.

24Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde van de rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde van de rivier; en hij had vrede van al zijn zijden rondom.

25En Juda en Israël woonden zeker, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo.

26Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagens, en twaalf duizend ruiteren.

27Die bestelmeesters nu, een ieder op zijn maand, verzorgden de koning Salomo, en al degenen, die tot de tafel van de koning Salomo naderden; zij lieten geen ding ontbreken.

28De gerst nu en het stro voor de paarden, en voor de snelle kamelen, brachten zij aan de plaats, waar hij was, ieder naar zijn last.

29En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip van het hart, zoals zand, dat aan de oever van de zee is.

30En de wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van al die van het oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren;

31Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom.

32En hij sprak drie duizend spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf.

33Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.

34En van alle volken kwamen er, om de wijsheid van Salomo te horen, van alle koningen van de aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden.