1 Korinthiërs
Nieuwe Testament · 16 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Omdat de apostel in Korinthe, de hoofdstad van Achaje, op bevel van Christus ongeveer anderhalf jaar gebleven was en daar een grote gemeente had gesticht (Hand. 18:9, 10, 11), is hij vandaar verder getrokken om ook in andere steden van Azië Christus te prediken. Na geruime tijd verbleef hij, zoals blijkt uit 1 Kor. 16:8, in Efeze. Daar hoorde hij van enkele leden van het huisgezin van Chloë (1 Kor. 1:11) dat er onenigheid in de gemeente was ontstaan. Ook had hij van de Korinthiërs zelf een brief ontvangen (1 Kor. 7:1), waarin zij de apostel om advies vroegen over enkele moeilijkheden die in hun gemeente waren gerezen. Daarop antwoordt hij in deze brief. Eerst dan, na een korte inleiding in de eerste negen verzen van deze brief, berispt hij hen in de rest van het eerste en in de drie volgende hoofdstukken over de onenigheid die onder hen was ontstaan, vooral door de hoogmoed en nieuwsgierigheid van enkele leraren, die met hun welsprekendheid en menselijke filosofie pronkten, de eenvoud van het Evangelie verbasterden en Paulus verachtten. Daarna bestraft hij hen in Hoofdstuk 5 over het dulden van een bloedschender in hun gemeente, en hij schrijft hun voor hoe zij de kerkelijke tucht tegen hem en andere ergerlijke broeders moeten gebruiken. In Hoofdstuk 6 vermaant hij hen dat zij de geschillen die zij in wereldse zaken onderling hadden, niet voor de ongelovige overheid moeten brengen, maar onderling in der minne moeten afhandelen; en hij berispt hen vanwege de hoererij die onder hen nog gepleegd werd. In Hoofdstuk 7 begint hij de vragen te beantwoorden die zij hem schriftelijk hadden voorgelegd, eerst over de ongehuwde en weduwlijke staat en het huwelijk. Daarna behandelt hij in Hoofdstuk 8 de dingen die aan de afgoden geofferd waren. In Hoofdstuk 9 het onderhoud van de dienaren van de kerk. In Hoofdstuk 10 opnieuw het vermijden van afgoderij en afgodenoffer. In Hoofdstuk 11 berispt hij enkele misbruiken die in hun samenkomsten waren binnengeslopen, in de kleding van de vrouwen en in het gebruik van het avondmaal, en hij richt die naar de instelling van Christus. In de Hoofdstukken 12, 13 en 14 spreekt hij over het juiste gebruik van de geestelijke gaven, die de Heilige Geest op verschillende wijze onder de gemeente uitdeelde, en in het bijzonder over de gave van de profetie en van de vreemde talen. In Hoofdstuk 15 behandelt hij de zekerheid van de opstanding uit de doden, en hij verklaart uitvoerig hoe die zal plaatsvinden. En nadat hij aan het begin van Hoofdstuk 16 had gesproken over de inzameling die de Griekse gemeenten hielden voor de arme gelovigen in Judea, besluit hij deze brief met enkele vermaningen en groeten aan hen.