1 Korinthiërs 11
Lees 1 Korinthiërs 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel vermaant de Korinthiers hem na te volgen en prijst hen dat zij zijn instellingen hielden. 3 Verbetert enkele misbruiken die in hun samenkomsten gevonden werden: ten eerste dat bij het bidden en profeteren de mannen hun hoofd bedekt hadden en de vrouwen onbedekt. 4 wat hij onbetamelijk bewijst te zijn, zowel voor de mannen, omdat zij het hoofd van de vrouw zijn, als voor de vrouwen, die, omdat zij onder de man staan, tot een teken daarvan hun hoofd behoren te bedekken; anders dat zowel mannen als vrouwen hun hoofd onteren. 14 en tegen de natuur doen. 18 Daarna dat in hun samenkomsten verdeeldheden waren. 20 En bovendien dat het avondmaal van de Heere onder hen niet juist gehouden werd, omdat de rijken vooraf afzonderlijk maaltijden hielden, waardoor sommigen dronken tot het avondmaal kwamen. 23 Om deze misbruiken te verbeteren legt hij hun de instelling van het avondmaal en de betekenis daarvan voor. 26 en leert tot welk doel en op welke wijze het gehouden moet worden. 29 en welke straffen te verwachten zijn, en reeds door God over sommigen gezonden waren, die het niet juist gebruikten. 33 Ten slotte leert hij hoe zij deze misbruiken zullen verbeteren.
1Wees mijn navolgers, zoals ook ik van Christus.
2En ik prijs u, broeders, dat u in alles van mijn gedachtig bent, en de voorschriften behoudt, zoals ik die u overgegeven heb.
3Maar ik wil, dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het Hoofd van Christus.
4Ieder man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;
5Maar iedere vrouw, die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar eigen hoofd; want het is één en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.
6Want als een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar als het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.
7Want de man moet het hoofd niet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.
8Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man.
9Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man.
10Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, omwille van de engelen.
11Toch is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in de Heere.
12Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God.
13Oordeelt u onder uzelf: is het passend, dat de vrouw ongedekt tot God bidt?
14Of leert u ook de natuur zelf niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?
15Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?
16Maar als iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten van God.
17Dit nu, wat ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat u niet tot beter, maar tot erger samenkomt.
18Want als eerste, als u samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele;
19Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.
20Als u dan bijeen samenkomt, dat is niet van de Heere avondmaal eten.
21Want in het eten neemt ieder te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.
22Hebt u dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht u de Gemeente van God, en beschaamt u degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In deze prijs ik u niet.
23Want ik heb van de Heere ontvangen, wat ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in de nacht, waarin Hij verraden werd, het brood nam;
24En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neem, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doe dat tot Mijn herinnering.
25Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doe dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn herinnering.
26Want telkens als u dit brood zult eten, en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood van de Heere, totdat Hij komt.
27Zo dan, wie onwaardig dit brood eet, of de drinkbeker van de Heere drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed van de Heere.
28Maar de mens beproeve zichzelf, en ete zo van het brood, en drinke van de drinkbeker.
29Want die onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, niet onderscheidende het lichaam van de Heere.
30Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen.
31Want als wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.
32Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
33Zo dan, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, verwacht elkaar.
34Maar zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.