1 Korinthiërs 12
Lees 1 Korinthiërs 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel bestraft voorts de onenigheid onder de Korinthiers, ontstaan uit de verscheidenheid van de geestelijke gaven en de kerkelijke bedieningen, en leert dat zij zich daarom niet moeten verheffen of anderen verachten, aangezien zij tevoren allen heidenen zijn geweest en de Heilige Geest hun deze verleend heeft. 4 Dat dezelfde Geest deze gaven in de een minder, in de ander meer, verschillend werkt naar zijn welbehagen, opdat zij tot gemeenschappelijk gebruik en nut van de hele gemeente besteed worden: welke gaven hij er negen opnoemt. 12 Dit verklaart hij door een gelijkenis van de verschillende leden van een lichaam, waarmee hij leert dat ook de geringste gaven hun nut en noodzaak hebben, en dat daarom zij die de voortreffelijkste gaven ontvangen hebben, niet mogen verachten die mindere hebben. 25 maar dat ieder zijn gaven moet besteden tot dienst van anderen en van het hele lichaam van de gemeente. 28 Dat God, evenals de gaven, ook de bedieningen in de gemeente niet eenvormig, noch even waardig, heeft ingesteld. 31 Doch dat ieder evenwel moet streven naar de beste gaven.
1En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat u onwetend bent.
2U weet, dat u heidenen was, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat u geleid werdt.
3Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door de Geest van God spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest.
4En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest;
5En er is verscheidenheid van de bedieningen, en het is dezelfde Heere;
6En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.
7Maar aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat raadzaam is.
8Want deze wordt door de Geest gegeven het woord van de wijsheid, en een ander het woord van de kennis, door dezelfde Geest;
9En een ander het geloof, door dezelfde Geest; en een ander de gaven van de gezondmakingen, door dezelfde Geest.
10En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
11Maar deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, delende aan ieder in het bijzonder, zoals Hij wil.
12Want zoals het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, zo ook Christus.
13Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienaren, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.
14Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden.
15Als de voet zei: Omdat ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam?
16En als het oor zei: Omdat ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam?
17Ware het hele lichaam het oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het hele lichaam gehoor, waar zou de reuk zijn?
18Maar nu heeft God de leden gezet, ieder daarvan in het lichaam, zoals Hij gewild heeft.
19Waren zij alle maar één lid, waar zou het lichaam zijn?
20Maar nu zijn er wel vele leden, maar slechts één lichaam.
21En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet nodig; of opnieuw het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet nodig.
22Ja eerder, de leden, die ons dunken de zwakste van het lichaam te zijn, die zijn nodig.
23En die ons dunken de minst eerlijke leden van het lichaam te zijn, dezelfde doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering.
24Maar onze sierlijke hebben het niet nodig; maar God heeft het lichaam zo samengevoegd, gevende overvloediger eer aan wat dezelfde gebrek heeft;
25Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen.
26En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mee; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mee.
27En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.
28En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
29Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten?
30Hebben zij allen gaven van de gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers?
31Maar ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitmuntender is.