Bijbel1 Korinthiërs

1 Korinthiërs 13

Lees 1 Korinthiërs 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Wat de apostel aan het eind van het voorgaande hoofdstuk beloofd had, dat hij de Korinthiers een uitnemender weg zou wijzen, dat doet hij in dit hoofdstuk, lerend dat de liefde de voornaamste gave is waarnaar de christenen moeten streven, wat hij bewijst door vergelijking met andere grote gaven, zoals verschillende talen, profetie, kennis, wonderen doen, de armen mild bijstaan en moedig om de naam van Christus zelfs de dood lijden: en toont dat al zulke gaven zonder de liefde niets zijn. 4 en prijst de liefde vanwege haar voortreffelijke eigenschappen en werkingen. 8 en ook omdat zij altijd zal duren en blijven, terwijl de andere gaven zullen ophouden. 9 omdat zij in dit leven onvolmaakt zijn. 10 wat hij verklaart met de gelijkenis van de kennis van een kind en van een volwassen man, en van het zien in een spiegel en in het aangezicht zelf. 13 en ten slotte omdat de liefde groter en voortreffelijker is dan geloof en hoop.

1Al was het, dat ik de talen van de mensen en van de engelen sprak, en de liefde niet had, zo was ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.

2En al was het dat ik de gave van de profetie had, en wist al de geheimen en al de wetenschap; en al was het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo was ik niets.

3En al was het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud van de armen uitdeelde, en al was het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nut geven.

4De liefde is geduldig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardig, zij is niet hoogmoedig;

5Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;

6Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;

7Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.

8De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.

9Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;

10Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden.

11Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan wat van een kind was.

12Want wij zien nu door een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ook ik gekend ben.

13En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de meeste van deze is de liefde.