Bijbel1 Korinthiërs

1 Korinthiërs 2

Lees 1 Korinthiërs 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel bewijst met zijn eigen voorbeeld hoe het evangelie van Christus voorgesteld moet worden, namelijk niet met menselijke wijsheid of welsprekendheid, maar in eenvoud en geestelijke kracht. 6 Verklaart voorts welke hemelse wijsheid daarin begrepen is. 10 en hoe die door Gods Geest, en niet door menselijk verstand, geopenbaard is. 13 Verhaalt opnieuw met welke woorden die uitgesproken moet worden. 14 en hoe die niet door de natuurlijke, maar door de geestelijke mens onderscheiden en beoordeeld wordt.

1En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.

2Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.

3En ik was bij u in zwakheid, en in vrees, en in vele beving.

4En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht;

5Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van de mensen, maar in de kracht van God.

6En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid, niet van deze wereld, noch van de oversten van deze wereld, die te niet worden;

7Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in geheim, die bedekt was, welke God te voren bestemd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was;

8Die niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heere van de heerlijkheid niet gekruisigd hebben.

9Maar zoals geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben.

10Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten van God.

11Want wie van de mensen weet, wat van de mensen is, dan de geest van de mensen, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat Gods is, dan de Geest van God.

12Maar wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;

13Die wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.

14Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.

15Maar de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.

16Want wie heeft de zin van de Heere gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin van Christus.