Bijbel1 Korinthiërs

1 Korinthiërs 3

Lees 1 Korinthiërs 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel geeft nog andere redenen waarom hij het evangelie in alle eenvoud onder hen gepredikt heeft, namelijk vanwege hun kinderlijkheid in de kennis en hun vleselijkheid in hun onenigheden. 5 Verklaart voorts in welk aanzien de leraars moeten staan, en hoe de lof van hun werk niet aan hen die planten en water geven, maar aan God die de groei geeft, moet worden toegeschreven. 10 Dat hun ambt is op Christus, het fundament, niet hooi, stro en stoppels, maar goud, zilver en kostbare stenen te bouwen. 13 en dat ieders werk door vuur beproefd zal worden, en zij dan loon naar bevinding zullen ontvangen. 16 Dat de tempel van God door onenigheden niet geschonden mag worden. 18 omdat de wijsheid van de mensen dwaasheid is voor God, 21 dat dan niemand op mensen mag roemen, omdat wij van Christus zijn.

1En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.

2Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste voedsel; want u kon toen nog niet; ja, u kunt ook nu nog niet.

3Want u bent nog vleselijk; want omdat onder u afgunst is, en twist, en tweedracht, bent u niet vleselijk, en wandelt u niet naar de mens?

4Want als de één zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; bent u niet vleselijk?

5Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaren, door wie u geloofd hebt, en dat, zoals de Heere aan ieder gegeven heeft?

6Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven.

7Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft.

8En die plant, en die nat maakt, zijn één; maar ieder zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.

9Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u.

10Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar ieder zie toe, hoe hij daarop bouwe.

11Want niemand kan een ander fundament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus.

12En als iemand op dit fundament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen;

13Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, omdat het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig van een ieder werk is, zal het vuur beproeven.

14Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.

15Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, maar zo als door vuur.

16Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont?

17Zo iemand de tempel van God schendt, die zal God schenden; want de tempel van God is heilig, welke u bent.

18Niemand bedriege zichzelf. Zo iemand onder u denkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs mag worden.

19Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun sluwheid;

20En opnieuw: De Heere kent de overleggingen van de wijzen, dat zij ijdel zijn.

21Niemand dan roeme op mensen; want alles is van u.

22Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.

23Maar u bent van Christus, en Christus is van God.