Bijbel1 Korinthiërs

1 Korinthiërs 5

Lees 1 Korinthiërs 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel gaat verder en bewijst uit de gebreken die in hun gemeente nog waren, dat de Korinthiers meer reden hadden om zich te vernederen dan om te roemen en zich te verheffen, en eerst vanwege het dulden van bloedschande onder hen. 2 Vermaant hen ernstig dat zij hem die zoiets beging uit hun midden zouden verwijderen en aan de satan overgeven. 6 Brengt daartoe verschillende redenen aan, in het bijzonder ontleend aan de gelijkenis van een zuurdesem, die bij het houden van het pascha in het Oude Testament uitgezuiverd moest worden. 9 Onderricht hen daarna uitvoeriger tegen welke mensen deze kerkelijke tucht uitgeoefend moet worden. 11 Namelijk tegen hen die broeders genoemd worden en dergelijke ergernissen gaven. 12 terwijl hij hen die buiten de gemeente waren aan Gods oordeel overlaat.

1Men hoort geheel, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, zo dat er één de huisvrouw van zijn vader heeft.

2En bent u nog hoogmoedig, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan wordt, die deze daad begaan heeft?

3Maar ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met de geest, heb al, alsof ik tegenwoordig ware, degene, die dat zo bedreven heeft, besloten,

4In de Naam van onze Heere Jezus Christus, als u en mijn geest samen verzameld zullen zijn, met de kracht van onze Heere Jezus Christus,

5Die zodanige over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden mag worden in de dag van de Heere Jezus.

6Uw roem is niet goed. Weet u niet, dat een weinig zuurdesem het hele deeg zuur maakt?

7Zuiver dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, zoals u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

8Zo dan laat ons feest houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid, maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid.

9Ik heb u geschreven in de brief, dat u zich niet zou vermengen met de ontuchtplegers;

10Maar niet geheel met de ontuchtplegers van deze wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zou u moeten uit de wereld gaan.

11Maar nu heb ik u geschreven, dat u zich niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genoemd zijnde, een ontuchtpleger is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten.

12Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet die binnen zijn?

13Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet u deze boze uit u weg.