1 Korinthiërs 9
Lees 1 Korinthiërs 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel, om de Korinthiers beter te brengen tot het juiste gebruik van de middelmatige dingen, stelt hun zijn eigen voorbeeld voor, en voegt daartoe hier een behandeling in van het onderhoud van de kerkdienaars, en betuigt dat hij evenals andere apostelen het recht had om onderhoud te ontvangen. 7 Brengt verschillende redenen aan om dat te bewijzen, ontleend aan hen die in de oorlog dienen, die een wijngaard planten en een kudde weiden. 9 aan de os die dorst. 11 aan een zaaier. 13 aan hen die de tempel of het altaar dienen. 15 En verklaart dat hij dit recht evenwel niet heeft gebruikt en ook nog niet heeft willen gebruiken, omdat hij dat niet stichtelijk onder hen oordeelde, en om zo zijn recht niet te misbruiken. 19 Maar dat hij zich naar de zwakke christenen, zowel Joden als heidenen, in middelmatige zaken in alles geschikt heeft, om hen beter te winnen. 24 Vermaant ten slotte door de gelijkenissen van hen die om de prijs in de loopbaan lopen en kampvechten of worstelen, en ook door zijn eigen voorbeeld, tot soberheid en ijverige voortgang in de godzaligheid.
1Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Heere, gezien? Bent u niet mijn werk in de Heere?
2Zo ik anderen geen apostel ben, toch ben ik het u; want het zegel van mijn apostelschap bent u in de Heere.
3Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze.
4Hebben wij niet macht, om te eten en te drinken?
5Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zuster zijnde, met ons om te leiden, zoals ook de andere apostelen, en de broeders van de Heere, en Cefas?
6Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken?
7Wie dient ooit in de oorlog op eigen soldij? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk van de kudde?
8Spreek ik dit naar de mens, of zegt ook de wet hetzelfde niet?
9Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorg ook God voor de ossen?
10Of zegt Hij dat geheel om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; omdat die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden.
11Als wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien?
12Als anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.
13Weet u niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen?
14Zo heeft ook de Heere bestemd van hen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.
15Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het zo aan mij gebeuren zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand deze mijn roem zou ijdel maken.
16Want als ik het Evangelie verkondige, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!
17Want als ik dat gewillig doe, zo heb ik loon, maar als onwillig, de uitdeling is mij evenwel toebetrouwd.
18Wat loon heb ik dan? Namelijk dat ik, het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stelle, om mijn macht in het Evangelie niet te misbruiken.
19Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelf allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen.
20En ik ben de Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; van hen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou.
21Degenen, die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde (voor God toch zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou.
22Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enige behouden zou.
23En dit doe ik omwille van het Evangelie, opdat ik hetzelfde mee deelachtig zou worden.
24Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één de prijs ontvangt? Loop zo, dat u die mag verkrijgen.
25En een ieder die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.
26Ik loop dan zo, niet als op het onzekere; ik kamp zo, niet als de lucht slaande;
27Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk word.