1 Kronieken 1
Lees 1 Kronieken 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
In dit hoofdstuk worden verhaald de nakomelingen van Adam tot aan Noach, vers 1 enz. Daarna de nakomelingen van Noach: van Jafeth, 4. van Cham, 8. en van Sem, tot aan Abraham, 17. Ook de nakomelingen van Abraham: eerst die van Ismaël afkomstig zijn, 28. Daarna die van Ketura geboren zijn, 32. Daarna van Izak en van zijn zoon Ezau, 34. samen met de koningen die in het land Edom geregeerd hebben, 43. en de vorsten in Edom, 51.
1Adam, Seth, Enos,
2Kenan, Mahalal-el, Jered,
3Henoch, Methusalah, Lamech,
4Noach, Sem, Cham en Jafeth.
5De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
6En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.
7En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.
8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaän.
9En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan.
10Cusch nu verwekte Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.
11En Mitsraim verwekte de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
12En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van wie de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.
13Kanaän nu verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
14En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,
15En de Heviet, en de Arkiet, en de Siniet,
16En de Arvadiet, en de Zemariet, en de Hamathiet.
17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
18Arfachsad nu verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.
19Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam van de een was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan.
20En Joktan verwekte Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
21En Hadoram, en Uzal, en Dikla,
22En Ebal, en Abimaël, en Scheba,
23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle deze waren zonen van Joktan.
24Sem, Arfachsad, Selah,
25Heber, Peleg, Rehu,
26Serug, Nahor, Terah,
27Abram; die is Abraham.
28De kinderen van Abraham waren Izak en Ismaël.
29Dit zijn hun afstammelingen: de eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
30Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,
31Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismaël.
32De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijvrouw: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.
33De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura.
34Abraham nu verwekte Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israël.
35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuël, en Jehus, en Jaëlam, en Korah.
36De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.
37De kinderen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
38De kinderen van Seïr nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.
39De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zus van Lotan was Timna.
40De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.
41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaäkan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
43Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, voordat er een koning regeerde over de Israëlieten: Bela, de zoon van Beor; en de naam van zijn stad was Dinhaba.
44En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.
45En Jobab stierf, en Husam, uit het land van de Themanieten, regeerde in zijn plaats.
46En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith.
47En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.
48En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
49En Saul stierf, en Baäl-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
50Als Baäl-hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam van zijn stad was Pahi, en de naam van zijn huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-sahab.
51Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,
52De vorst Aholi-bama, de vorst Ela, de vorst Pinon,
53De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,
54De vorst Magdiel, de vorst Iram. Deze waren de vorsten van Edom.