Bijbel1 Kronieken

1 Kronieken 2

Lees 1 Kronieken 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De nakomelingen van Jakob, vers 1 enz. en van Juda uit Thamar, 4. van Isaï, 13. van Kaleb, de zoon van Hezron, 18. van Hezron uit de dochter van Machir, 21. van Jerahmeël, 25. van Sesan, 34. Een andere tak van Kalebs nakomelingen, 42. De nakomelingen van Kaleb, de zoon van Hur, 50.

1Deze zijn de kinderen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.

3De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaänietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van JAHWEH; daarom doodde Hij hem.

4Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.

5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.

6En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.

7En de kinderen van Charmi waren Achar, de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep.

8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.

9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en Ram, en Chelubai.

10Ram nu verwekte Amminadab, en Amminadab verwekte Nahesson, de vorst van de kinderen van Juda;

11En Nahesson verwekte Salma, en Salma verwekte Boaz,

12En Boaz verwekte Obed, en Obed verwekte Isaï,

13En Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,

14Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,

15Ozem, de zesde, David, de zevende.

16En hun zussen waren Zeruja en Abigaïl. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El; drie.

17En Abigaïl baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaëliet.

18Kaleb nu, de zoon van Hezron, verwekte kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.

19Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.

20En Hur verwekte Uri, en Uri verwekte Bezaleël.

21Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaar oud was; en zij baarde hem Segub.

22Segub nu verwekte Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.

23En hij nam Gesur en Aram, met de plaatsen van Jaïr, daarvan, met Kenath en haar bijbehorende plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, de vader van Gilead.

24En na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Asschur, de vader van Thekoa.

25De kinderen van Jerahmeël nu, de eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.

26Jerahmeël had nog een andere vrouw, van wie de naam Atara was; zij was de moeder van Onam.

27En de kinderen van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeël waren Maäz, en Jamin, en Eker.

28En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.

29De naam nu van de huisvrouw van Abisur was Abihaïl: die baarde hem Achban en Molid.

30En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaïm; en Seled stierf zonder kinderen.

31En de kinderen van Appaïm waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.

32En de kinderen van Jada, de broer van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.

33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeël.

34En Sesan had geen zonen, maar dochters. En Sesan had een Egyptische knecht, van wie de naam Jarha was.

35Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.

36Attai nu verwekte Nathan, en Nathan verwekte Zabad,

37En Zabad verwekte Eflal, en Eflal verwekte Obed,

38En Obed verwekte Jehu, en Jehu verwekte Azaria,

39En Azaria verwekte Helez, en Helez verwekte Elasa,

40En Elasa verwekte Sismai, en Sismai verwekte Sallum,

41En Sallum verwekte Jekamja, en Jekamja verwekte Elisama.

42De kinderen van Kaleb nu, de broer van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, de vader van Hebron.

43De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.

44Sema nu verwekte Raham, de vader van Jorkeam, en Rekem verwekte Sammai.

45De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.

46En Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran verwekte Gazez.

47De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saäf.

48Uit de bijvrouw Maächa verwekte Kaleb: Seber en Tirhana.

49En de huisvrouw van Saäf, de vader van Madmanna, baarde Seva, de vader van Machbena, en de vader van Gibeä; en de dochter van Kaleb was Achsa.

50Dit waren de kinderen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-jearim;

51Salma, de vader van de Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.

52De kinderen van Sobal, de vader van Kirjath-jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.

53En de geslachten van Kirjath-jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraïeten; van deze zijn uitgegaan de Zoraïeten en de Esthaolieten.

54De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft van de Manathieten, en de Zorieten.

55En de huisgezinnen van de schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; deze zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, de vader van het huis van Rechab.