1 Kronieken 20
Lees 1 Kronieken 20 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Zie de inhoud van dit hoofdstuk in 2 Samuël 11:1, en hoofdstuk 12:26, en hoofdstuk 21.
1Het gebeurde nu ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de legermacht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze.
2En David nam de kroon van hun koning van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent goud, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet, en hij voerde zeer veel roof uit de stad.
3Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen; en zo deed David aan al de steden van de kinderen Ammons. Toen keerde David opnieuw met al het volk naar Jeruzalem.
4En het gebeurde daarna, als de oorlog met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten onder gebracht.
5Daarna was er nog een strijd tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath, de Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.
6Daarna was er nog een strijd te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijn vingers waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren;
7En hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, versloeg hem.
8Deze waren van Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand van zijn knechten.