1 Kronieken 28
Lees 1 Kronieken 28 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Davids laatste bevel aan de vorsten, vers 1 enz. En aan Salomo, over het onderhouden van alle geboden van God, en met name over de opbouw van de tempel, 9. Hij geeft Salomo een voorbeeld van het hele gebouw, samen met alle voorwerpen die daarbij horen, 14. Korte herhaling van Davids vermaning aan Salomo, 20.
1Toen verzamelde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, de oversten van de stammen, en de oversten van de verdelingen, de koning dienende, en de oversten van de duizenden, en de oversten van de honderden, en de oversten van alle bezittingen en vee van de koning en van zijn zonen, met de kamerlingen, en de helden, ja, elke kloeke held.
2En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoor mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis van de rust voor de ark van het verbond van JAHWEH te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.
3Maar God heeft tot mij gezegd: U zult Mijn Naam geen huis bouwen, want u bent een soldaat, en u hebt veel bloed vergoten.
4Nu heeft mij JAHWEH, de God van Israël, gekozen uit heel het huis van mijn vader, dat ik tot koning over Israël wezen zou in eeuwigheid; want Hij heeft Juda tot een voorganger gekozen, en het huis van mijn vader in het huis van Juda; en onder de zonen van mijn vader heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, dat Hij mij tot koning maakte over geheel Israël.
5En uit al mijn zonen (want JAHWEH heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo gekozen, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk van JAHWEH over Israël.
6En Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn.
7En Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid, als hij sterk wezen zal, om Mijn geboden en Mijn rechten te doen, zoals te deze dage.
8Nu dan, voor de ogen van het hele Israël, de gemeente van JAHWEH, en voor de oren van onze God, houdt en zoekt al de geboden van JAHWEH, van uw God; opdat u dit goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.
9En u, mijn zoon Salomo, ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want JAHWEH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.
10Zie nu toe, want JAHWEH heeft u gekozen, dat u een huis ten heiligdom bouwt; wees sterk, en doe het.
11En David gaf zijn zoon Salomo een ontwerp van het voorhuis, met zijn behuizingen, en zijn schatkameren, en zijn opperzalen, en zijn binnenkameren, en van het huis van het verzoendeksel;
12En een ontwerp van alles, wat bij hem door de Geest was, namelijk van de voorhoven van het huis van JAHWEH, en van alle kamers rondom; tot de schatten van het huis van God, en tot de schatten van de heilige dingen;
13En van de verdelingen van de priesters en van de Levieten, en van alle werk van de dienst van het huis van JAHWEH, en van alle voorwerpen van de dienst van het huis van JAHWEH.
14Het goud gaf hij naar het goudgewicht, tot alle voorwerpen van elke dienst; ook zilver tot alle zilveren voorwerpen bij gewicht, tot al de voorwerpen van elke dienst;
15En het gewicht tot de gouden kandelaars, en hun gouden lampen, naar het gewicht van elke kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar de dienst van elke kandelaar.
16Ook gaf hij het goud naar het gewicht tot de tafelen van de toerichting, tot elke tafel, en het zilver tot de zilveren tafelen;
17En louter goud tot de vleeshaken, en tot de sprengbekkens, en tot de schotelen, en tot gouden bekers, het gewicht tot elke beker, evenzo tot zilveren bekers, tot elke beker het gewicht;
18En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld van de wagen, te weten van de cherubim, die de vleugels zouden uitbreiden, en de ark van het verbond van JAHWEH overdekken.
19Dit alles heeft men mij, zei David, bij geschrift te verstaan gegeven van de hand van JAHWEH, te weten al de werken van dit voorbeeld.
20En David zei tot zijn zoon Salomo: Wees sterk, en heb goede moed, en doe het, vrees niet, en wees niet verslagen; want God JAHWEH, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, voordat u al het werk tot de dienst van het huis van JAHWEH zult volbracht hebben.
21En zie, daar zijn de verdelingen van de priesters en van de Levieten, tot alle dienst van het huis van God; en bij u zijn tot alle werk allerlei vrijwilligen, met wijsheid tot alle dienst, ook de vorsten, en het hele volk, bereid tot al uw bevelen.