Bijbel1 Kronieken

1 Kronieken 6

Lees 1 Kronieken 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De zonen van Levi, vers 1 enz. de nakomelingen van de hogepriesters van Aäron tot de wegvoering naar Babylon, 3. De nakomelingen van Gerson, Merari en Kahath, 16. De zangers, naar de ordening van David, 31. De bedieningen van Aäron en zijn nakomelingen tot aan Ahimaäz, 49. De woningen van de nakomelingen van Aäron, 54. De steden van de Kahathieten, 66. en van de Gersonieten, 71. en van de Merarieten, 77.

1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.

2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziël.

3En de kinderen van Amram waren Aäron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aäron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

4En Eleazar verwekte Pinehas, Pinehas verwekte Abisua;

5En Abisua verwekte Bukki, en Bukki verwekte Uzzi;

6En Uzzi verwekte Zerahja, en Zerahja verwekte Merajoth;

7En Merajoth verwekte Amarja, en Amarja verwekte Ahitub;

8En Ahitub verwekte Zadok, en Zadok verwekte Ahimaäz;

9En Ahimaäz verwekte Azarja, en Azarja verwekte Johanan;

10En Johanan verwekte Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had.

11En Azarja verwekte Amarja, en Amarja verwekte Ahitub;

12En Ahitub verwekte Zadok, en Zadok verwekte Sallum;

13En Sallum verwekte Hilkia, en Hilkia verwekte Azarja;

14En Azarja verwekte Seraja, en Seraja verwekte Jozadak;

15En Jozadak ging mee, als JAHWEH Juda en Jeruzalem als gevangene wegvoerde door de hand van Nebukadnezar.

16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

17En dit zijn de namen van de zonen van Gerson: Libni en Simeï.

18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël.

19De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen van de Levieten, naar hun vaders.

20Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;

21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.

22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;

23Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;

24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriël; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.

25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.

26Elkana; diens zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;

27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.

28De zonen van Samuël nu waren deze: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.

29De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simeï; zijn zoon Uzza;

30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.

31Deze nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt van het gezang in het huis van JAHWEH, nadat de ark tot rust gekomen was.

32En zij dienden voor de tabernakel van de tent van de samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis van JAHWEH te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.

33Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël,

34De zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah,

35De zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai,

36De zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja,

37De zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah,

38De zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël.

39En zijn broer Asaf stond aan zijn rechterzijde; Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea,

40De zoon van Michaël, de zoon van Baeseja, de zoon van Malchija,

41De zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja,

42De zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï,

43De zoon van Jahath, de zoon van Gerson, de zoon van Levi.

44Hun broers nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,

45De zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia,

46De zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer,

47De zoon van Maheli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi.

48Hun broers nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst van de tabernakel van het huis van God.

49Aäron nu en zijn zonen rookten op het altaar van het brandoffer, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige van de heiligen, en om over Israël verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht van God, geboden had.

50Dit nu zijn de kinderen van Aäron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;

51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;

52Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon;

53Zadok zijn zoon; Ahimaäz zijn zoon.

54En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun gebied, namelijk van de zonen van Aäron, van het huisgezin van de Kahathieten, want dat lot was voor hen.

55En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden daaromheen.

56Maar het veld van de stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, de zoon van Jefunne.

57En de kinderen van Aäron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden,

58En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,

59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.

60Van de stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.

61Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van de stam, uit de halve stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.

62En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van de stam van Issaschar, en van de stam van Aser, en van de stam van Nafthali, en van de stam van Manasse in Basan, dertien steden.

63De kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, hadden van de stam van Ruben, en van de stam van Gad, en van de stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden.

64Zo gaven de Israëlieten aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.

65En zij gaven ze bij het lot, van de stam van de kinderen van Juda, en van de stam van de kinderen van Simeon, en van de stam van de kinderen van Benjamin, deze steden, die zij bij namen noemden.

66Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen van de kinderen van Kahath, vielen steden van hun gebied ten deel, van de stam van Efraïm.

67Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraïm, en Gezer en haar voorsteden,

68En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-Horon en haar voorsteden,

69En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.

70En uit de halve stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bileam en haar voorsteden. De huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath hadden deze steden:

71De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van de halve stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden.

72En van de stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,

73En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.

74En van de stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdon en haar voorsteden,

75En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.

76En van de stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden.

77De overige kinderen van Merari hadden van de stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;

78En aan de overzijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van de stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden,

79En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden;

80En van de stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden,

81En Hesbon en haar voorsteden, en Jaëzer en haar voorsteden.