1 Makkabeeën 1
Lees 1 Makkabeeën 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Na de dood van Alexander de Grote wordt zijn rijk onder zijn oversten verdeeld, 9 die allen koninklijke kronen opzetten. 11 Uit hen is Antiochus Epifanes voortgekomen. 14 Die te Jeruzalem de heidense wetten invoert, 21 de stad en de tempel berooft, 25 en vele mensen vermoordt, 26 waarover grote rouw en vrees is in Israël. 35 Hij bouwt een burcht te Jeruzalem. 44 Hij dwingt de Joden hun wetten te verlaten, 46 wat velen onder hen doen, en velen weigeren, die óf ontvluchten óf gedood worden. 58 Hij bouwt een gruwel van de verwoesting op het altaar. 60 Hij verbrandt de boeken van de wet, 64 en doodt allen die hun kinderen lieten besnijden.
1En het gebeurde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër, die uit het land Chittim uittrok, Darius de koning van de Perzen en Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat hij tevoren in Griekenland geregeerd had;
2Dat hij vele veldslagen voerde, en vestingen bemachtigde, en vele koningen van de aarde versloeg;
3En doortrok tot aan het uiterste van de aarde, en grote buit verkreeg van menigte van de volken, en dat het land voor hem stil was.
4En zijn hart werd zeer verhoogd en verheven.
5En hij verzamelde een zeer sterke krijgsmacht bijeen, en veroverde landen, volken, en heerschappijen; en zij werden hem schatplichtig.
6En na deze viel hij te bed; en wetende dat hij sterven zou,
7Riep hij zijn dienaren, de edelsten, die van de jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk uit terwijl hij nog leefde.
8En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaren regeerden een ieder in zijn plaats.
9En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;
10En zij vermenigvuldigden de ellenden in het land.
11En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk van de Grieken.
12In deze dagen gingen uit Israël enige slechte kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn.
13Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen. En dit woord dacht hun goed voor hun ogen.
14En sommigen van het volk waren bereidwillig en trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om van de heidenen voorschriften te plegen.
15En zij bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten van de heidenen.
16En zij maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen.
17En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.
18En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.
19En hij stelde de oorlog aan tegen Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs vreesde voor zijn aangezicht, en vluchtte.
20En daar vielen vele gewonden, en zij namen de sterke steden in het land van Egypte in, en hij kreeg de roof van Egypte.
21En Antiochus, nadat hij Egypte geslagen had, keerde weer in het honderdendrieënveertigste jaar;
22En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.
23En hij ging met grote trots in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar van het licht, en alle gereedschap, en de tafel van de toonbroden, en de sprengbekers, en de schalen, en de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en hij trok het alles af.
24Hij nam het zilver en het goud, en de kostelijke voorwerpen; en hij nam ook de verborgen schatten, die hij vond, en dit alles genomen hebbende trok hij naar zijn land.
25En hij liet vele mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid.
26En daar gebeurde grote rouw in Israël, in al hun plaatsen.
27Want de oversten en ouderlingen zuchtten; de maagden en de jongemannen werden verzwakt, en de schoonheid van de vrouwen werd veranderd.
28Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat was in rouw.
29En het land beefde over degenen die het bewoonden, en het hele huis van Jakob deed smaad kleren aan.
30Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de belastingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.
31En hij sprak tot hen vreedzame woorden, met bedrog, en zij geloofden hem.
32En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en vernielde veel volk in Israël.
33En hij plunderde de stad, en verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen en muren rondom af;
34En zij namen de vrouwen en kinderen gevangen, en verkregen al hun vee.
35En zij bouwden de stad van David op met een grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.
36En stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk daarin.
37En brachten daarin wapenen en voedsel; en de plundering van Jeruzalem bijeengebracht hebbende, stelden die daar; en zij werden tot een grote schrik;
38En deze burcht was om altijd het heiligdom hinderlagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn.
39En zij vergoten onschuldig bloed rondom het heiligdom, en verontreinigden het heiligdom.
40En de inwoners van Jeruzalem vluchtten om hunnentwil;
41En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar.
42Haar heiligdom is verwoest als een woestijn; haar feestdagen werden verkeerd tot rouw, haar sabbatten tot versmaadheid, en haar eer tot verachting.
43Haar ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd in rouw.
44En de koning schreef aan zijn hele koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten.
45En alle volken namen het aan, naar het woord van de koning.
46En velen van Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, en offerden de afgoden, en ontheiligden de sabbat.
47En de koning zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten van het land;
48Dat zij de brandoffers, de offergave en het drankoffer uit het heiligdom weren zouden.
49Dat zij de sabbatten en de feestdagen zouden ontheiligen;
50Dat zij het heiligdom en de heilige plaatsen ontreinigen zouden.
51Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen zouden bouwen, en varkens en andere onreine beesten slachten.
52Dat zij hun zonen onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen.
53Zo wie niet zou doen naar dit woord van de koning, die zou moeten sterven.
54Naar al deze woorden heeft hij geschreven aan zijn hele koninkrijk, en heeft opzichters gemaakt over al het volk.
55En hij beval de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad tot stad.
56En velen van het volk verzamelden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land;
57En maakten dat Israël zich zette in holen, in al hun schuilplaatsen.
58En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel van de verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.
59En in de deuren van de huizen, en op de straten offerden zij reukwerk;
60En verbrandden de boeken van de wet, die zij vonden, nadat zij ze verscheurd hadden.
61En waar bij iemand gevonden werd het boek van het verbond, en zo iemand de wet toestond, die doodden zij naar het bevel van de koning, door hun geweld.
62Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden werden van maand tot maand in al de steden.
63En zij offerden de vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar was.
64En de vrouwen, die haar kinderen lieten besnijden, doodden zij naar het bevel van de koning;
65En zij hingen de kleine kinderen op aan de halzen van de moeder, en doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden.
66Maar velen in Israël zijn versterkt geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine dingen;
67En gekozen liever te sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond ontheiligen en zijn gestorven.
68En de toorn van de koning was zeer groot over Israël.