Bijbel1 Makkabeeën

1 Makkabeeën 10

Lees 1 Makkabeeën 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Alexander, de zoon van Antiochus Epifanes, neemt Ptolomaïs in. 2 Demetrius trekt tegen hem op met grote macht, 3 en zoekt Jonathan aan zijn zijde te krijgen. 15 wat ook Alexander doet. 17 Hij schrijft met dat doel brieven aan Jonathan, hem het hogepriesterschap belovend, wat Jonathan aanneemt. 22 Demetrius schrijft daartegenover aan de Joden, om hen aan zijn zijde te houden, hun veel vrijheden en gaven belovend. 47 Maar de Joden vinden het goed het te houden met Alexander. 49 Deze twee koningen leveren elkaar slag, waarin Demetrius omkomt. 51 Alexander vraagt ten huwelijk de dochter van Ptolomeüs, koning van Egypte, 56 die hem gegeven wordt. 58 De bruiloft wordt gehouden te Ptolomaïs, 59 waarop ook Jonathan genodigd en heerlijk ontvangen wordt. 67 Ondertussen zendt Demetrius, de zoon van de verslagene, een grote krijgsmacht onder zijn overste Apollonius, die Jonathan uitdaagt, 75 die Joppe inneemt, en Apollonius verslaat bij Azotus, dat Jonathan inneemt en verbrandt met de tempel van Dagon, 88 waarover Jonathan door Alexander zeer geëerd wordt.

1En in het honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning.

2En de koning Demetrius dat horende, verzamelde een grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.

3En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, om hem enorm te verheffen.

4Want hij zei: Laat ons hem voorkomen om met hem vrede te maken, voordat hij vrede make met Alexander tegen ons;

5Want hij zal gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broers, en tegen zijn volk.

6En hij gaf hem macht om soldaten te verzamelen, en de wapenen gereed te maken; en dat hij zijn metgezel in de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij hem over te geven.

7En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren.

8En zij vreesden met grote vrees, als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om soldaten te verzamelen.

9En die op de burcht waren gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weer aan hun ouders.

10En Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.

11En hij gebood de arbeiders, dat zij de muren zouden opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een vesting, en zij deden zo.

12En de vreemdelingen, die in de vesting waren, die Bacchides had gebouwd, vluchtten;

13En een ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn land.

14Alleen in Bethsura zijn enige overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.

15En Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broers, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.

16Zo zei hij: Zouden wij ook zo iemand vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot onze bondgenoot.

17En hij schreef aan hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:

18De koning Alexander wenst zijn broer Jonathan voorspoed.

19Wij hebben van u gehoord, dat u een machtig man bent in sterkte, en dat u bekwaam bent om onze vriend te zijn.

20En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat u het met ons houdt, en dat u met ons vriendschap onderhoudt.

21En Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar, op het feest van de Loofhutten, en hij verzamelde oorlogsvolk, en maakte vele wapenen gereed.

22Demetrius hoorde deze dingen, en werd bedroefd, en zei:

23Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te sterken?

24Ik zal ook aan hen schrijven woorden van terechtwijzing, en van hoogheid, en van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn.

25En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk van de Joden voorspoed.

26Dat u de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven bent in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest.

27En nu blijft nog daarin, dat u ons trouw houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor wat u ons doet.

28Wij zullen u vele lasten kwijtschelden, en u geschenken geven.

29En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de accijns van het zout, en van de kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide.

30En van de helft van de boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat u die ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten eeuwigen tijde.

31En Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar gebied, en tienden, en tollen.

32Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zulke mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.

33En alle ziel van de Joden, die uit het land Juda gevangen zijn in mijn hele koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de belastingen kwijtgescholden worden, ook van hun beesten.

34En alle feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen na het feest, al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen.

35Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei zaak.

36En uit de Joden zullen tot de soldaten van de koning aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, zoals past de soldaten van de koning. En uit hen zullen gesteld worden enige in de grote vestingen van de koning;

37En uit deze zullen ook gesteld worden over de zaak van het koninkrijk, waar trouw in gelegen is; en die daarover zijn en hun oversten zullen daaruit gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten, zoals ook de koning bepaald heeft in het land Juda.

38En voor wat betreft de drie streken, die van het land van Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven, dat zij gerekend worden onder één te zijn, om geens anderen macht onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.

39De stad Ptolomaïs, en het land daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan worden.

40En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend sikkels zilver van de rekeningen van de koning uit de plaatsen die hem toebehoren.

41En al dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften, zoals in de eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken van de tempel.

42En boven deze, de vijfduizend sikkels zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, zoals in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen van het heiligdom, die worden ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die de dienst doen.

43En allen, die in de tempel te Jeruzalem zullen vluchten, en die in al het gebied daarvan het recht van de koning, of enige andere zaken, schuldig zijn, zullen losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben.

44En tot het opbouwen en vernieuwen van de werken van het heiligdom zullen de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning.

45Ook om de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk te maken, zullen de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning; en ook tot het opbouwen van de muren, die in Judea zijn.

46Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.

47Maar het dacht hun goed dat zij het houden zouden met Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider tot woorden van vrede was geweest; en zij hielden het met hem al die tijd.

48En de koning Alexander verzamelde een grote krijgsmacht, en sloeg zijn kamp op tegen Demetrius.

49En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.

50En als hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang van de zon toe, zo viel Demetrius op die dag.

51En Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden:

52Omdat ik teruggekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en gezeten ben op de troon van mijn vaders, en het gebied bemachtigd heb, en Demetrius verslagen hebbende, onze landen weer heb veroverd;

53En tegen hem heb gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen is, en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;

54Laat ons dan nu met elkaar vriendschap maken, en geef nu uw dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven, die uw waard zijn.

55En de koning Ptolomeüs antwoordde, en zei: Gelukkig is de dag, waarop u bent teruggekeerd in het land van uw vaders, en gezeten bent op de troon van hun koninkrijk.

56En nu ik zal u doen wat u geschreven hebt; maar kom mij tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkaar mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, zoals u gezegd hebt.

57En Ptolomeüs trok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra; en zij kwamen te Ptolomaïs in het honderdentweeënzestigste jaar.

58En de koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft in Ptolomaïs, zoals de koningen, in grote heerlijkheid.

59En de koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.

60En hij reisde met grote heerlijkheid naar Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud, en vele gaven, en hij vond genade bij hen.

61En daar verzamelden tegen hem enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers van de wet, om hem te beschuldigen. Maar de koning lette op hen niet.

62Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn kleren zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, dat zij deden; en de koning zette hem bij zich;

63En zei tot zijn oversten: Ga uit met hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe over enige zaak.

64En het gebeurde, als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid zagen, zoals uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan, zo vluchtten zij allen.

65En de koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste van de soldaten, en tot een metgezel in de regering.

66En Jonathan keerde weer naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde.

67En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land van zijn vaders.

68En Alexander, dat horende, werd zeer bedroefd, en keerde weer naar Antiochië.

69En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en verzamelde een grote krijgsmacht, en sloeg zijn kamp op in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:

70Zult u alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaad geworden; waarom maakt u de meester tegen ons in de bergen?

71Nu dan, als u zich vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat ons daar met elkaar strijden, want bij mij is de macht van de steden.

72Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw vaders tweemaal op de vlucht zijn geslagen in hun eigen land.

73En nu, u zult niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht, in dit vlakke veld, waar geen steen, noch rots, noch plaats is om te vluchten.

74Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoos tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broer, ontmoette hem, om hem te helpen.

75En hij sloeg zijn kamp op tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.

76En die van de stad, vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe.

77Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters en veel soldaten;

78En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok hij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.

79En Jonathan vervolgde hem van achteren naar Azote, en de legers raakten met elkaar ten strijde achter hem.

80En Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend ruiters.

81En Jonathan vernam dat achter hem een hinderlaag gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk vroeg in de morgen tot de avond, en het volk stond stil zoals Jonathan bevolen had; en hun paarden waren vermoeid.

82En Simon, zijn soldaten voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij was vermoeid, en zij werden door hem geslagen en zij vluchtten;

83En de ruiterij werd verstrooid in het vlakke veld, en vluchtte naar Azote, en begaf zich in Beth-Dagon, dat was de tempel van hun afgod, om daar behouden te zijn.

84En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevlucht waren, met vuur.

85En die met het zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren tot achtduizend man.

86En Jonathan trok vandaar op, en sloeg zijn kamp op tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.

87En Jonathan keerde weer naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit.

88En het gebeurde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.

89En hij zond hem een gouden gesp, zoals de gewoonte is, dat de bloedvrienden van de koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar gebied tot een erfgift.