1 Makkabeeën 12
Lees 1 Makkabeeën 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Jonathan vernieuwt het verbond met de Romeinen en de Spartanen. 5 Zijn brief aan de Spartanen, 19 en hun brief die eertijds aan de hogepriester Onias geschreven was. 24 De krijgsmacht van Demetrius, die Jonathan meende te overvallen, vlucht uit vrees, 30 en wordt door Jonathan vervolgd. 33 Simon neemt Joppe in. 35 Jonathan bouwt vestingen in Judea, en versterkt Jeruzalem. 39 Tryfon, die zichzelf koning van Azië wilde maken, vreest Jonathan, 43 en lokt hem met bedrog binnen Ptolomaïs, 48 waar hij hem opsluit, 49 en zijn krijgsvolk naar Galilea zendt om Jonathans volk te verslaan, maar richt niets uit.
1Jonathan zag dat de gelegenheid van de tijd hem gunstig was; hij verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weer te vernieuwen.
2En hij zond ook aan de Spartiaten, en andere plaatsen brieven van dezelfde inhoud.
3En zij reisden naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het volk van de Joden hebben ons gezonden, om weer voor hen te vernieuwen de vriendschap en gemeenschap van wapenen, zoals tevoren.
4En zij gaven hun brieven aan de inwoners van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden in het land Juda.
5En dit is het afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven heeft aan de Spartiaten:
6Jonathan de hogepriester, en de raad van het volk, en de priesters, en het andere volk van de Joden wensen de Spartiaten, hun broers, voorspoed.
7Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat u onze broers bent, zoals het afschrift hier onder gesteld bewijst,
8En daar Onias de man, die daarmee gezonden was, zeer eerlijk heeft ontvangen, en de brieven aangenomen, in welke verklaring werd gedaan van gemeenschap van wapenen, en vriendschap;
9Hoewel wij dan dit nu niet nodig hebben, als die tot onze troost hebben de heilige boeken, die in onze handen zijn;
10Zo hebben wij toch ons onderwonden aan u te zenden, om de broerschap en vriendschap, die wij met u hebben, weer te vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen, sinds u aan ons hebt gezonden.
11Wij dan zullen in alle gelegenheid zonder ophouden aan u gedenken, zo op onze feestdagen, als andere gevoegelijke dagen, in de offergaven die wij offeren, en ook in onze gebeden, zoals het behoort en passend is de broers gedachtig te zijn.
12En wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid.
13Wat ons betreft, vele verdrukkingen en vele oorlogen omringen ons, en al de koningen, die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan.
14Wij hebben dan u en onze andere bondgenoten en vrienden in deze oorlogen niet willen lastig zijn.
15Want wij hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij zijn verlost van onze vijanden, en onze vijanden zijn vernederd.
16Zo hebben wij dan gekozen Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande vriendschap en gemeenschap van wapenen met hen weer te vernieuwen.
17En wij hebben hun bevolen, dat zij ook tot u zouden reizen, en u groeten, en u overleveren onze brieven van de vernieuwing van onze broerschap.
18En verder zult u wel doen, dat u ons hierop antwoordt.
19Dit is het afschrift van de brieven, die zij aan Onias gezonden hebben;
20Areüs, de koning van de Spartiaten, wenst de hogepriester Onias alle voorspoed.
21Daar is in de schriften gevonden, aangaande de Spartiaten en de Joden, dat zij broers zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham.
22En nu nadat wij deze dingen verstaan hebben, zo zult u wel doen, dat u ons schrijft van uw welstand.
23En wij schrijven u weer, uw vee en al wat u hebt, is ons, en al wat wij hebben, is van u. Wij hebben dan enige bevolen, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud.
24En Jonathan, horende dat de oversten van de koning Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,
25Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in zijn land te vallen.
26En hij zond spionnen in zijn leger, die, teruggekeerd zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden, om hen in de nacht te overvallen.
27Als nu de zon ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot de strijd, de hele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het leger.
28En de vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed waren, en vreesden, en werden in hun hart verslagen, en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken.
29En Jonathan en die met hem waren wisten het niet tot de morgenstond, want toen zagen zij de vuren branden.
30En Jonathan vervolgde hen achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier Eleutherus getrokken.
31En Jonathan week heen naar de Arabieren genoemd Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg hun buit.
32En optrekkende, kwam hij naar Damascus, en trok door het hele land.
33En Simon trok uit, en doortrok het land af tot Askalon toe, en tot de naaste vestingen, en week heen naar Joppe, en nam het in.
34Want horende, dat zij de vesting wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren.
35En Jonathan keerde weer, en riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield met hen raad, om vestingen te bouwen in Judea;
36En om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te maken midden tussen de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden, dat hij alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen, noch verkopen.
37En zij verzamelden om de stad op te bouwen, en hij kwam bij de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha.
38En Simon bouwde Adida in Sefala, en sterkte de deuren en grendels.
39En Tryfon zocht in Azië als koning te regeren, en een kroon op te zetten, en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.
40En vrezende, dat Jonathan hem dat mogelijk niet zou toelaten, en dat hij te eniger tijd tegen hem oorlog zou voeren, zo zocht hij middelen om hem te krijgen en om te brengen.
41En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend man, ten strijd uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan.
42En Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken.
43Maar ontving hem met grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en gaf hem geschenken, en gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen als hemzelf.
44En hij sprak Jonathan zo aan: Waarom hebt u al dit volk zo gekweld, daar tussen ons geen oorlog is ontstaan?
45Nu dan zend deze weer naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinig mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere vestingen, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal terugkeren en vertrekken, want vanwege deze oorzaak ben ik hier.
46En hij, hem gelovende, deed zoals hij zei, en hij zond de soldaten heen, en zij trokken naar het land van Juda.
47En hij liet bij zich blijven drieduizend man, waarvan hij tweeduizend liet gaan in Galilea, en duizend trokken met hem.
48Maar zodra Jonathan binnen Ptolomaïs was gekomen, sloten die van Ptolomaïs de poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.
49En Tryfon zond krijgsmachten en ruiterij naar het land van Galilea, en naar het grote vlakke veld, om te vernietigen allen, die met Jonathan waren geweest.
50Maar zij, verstaan hebbende, dat hij gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden zij elkaar, en zij trokken dicht aaneengesloten, bereid om te strijden.
51En degenen, die hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn teruggekeerd.
52En zij kwamen allen in het land van Juda, en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij vreesden zeer, en het hele Israël bedreef zeer grote rouw.
53Want alle heidenen, die rondom hen waren, zochten hen te vernietigen,
54Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en laat ons hun herinnering uit de mensen uitroeien.