1 Makkabeeën 15
Lees 1 Makkabeeën 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Antiochus, de zoon van Demetrius, schrijft aan Simon een vriendelijke brief. 5 Waarin hij de Joden alle vrijheden bevestigt die hun door de voorgaande koningen toegestaan waren, en belooft daarbij nog andere. 10 Hij trekt op tegen Tryfon, die voor hem vlucht en in de stad Dora belegerd wordt. 16 De Romeinen schrijven aan verscheidene koningen en landen ten gunste van de Joden, dat niemand hun schade zou berokkenen, omdat zij hun bondgenoten zijn. 26 Simon zendt volk en geld aan Antiochus, wat hij niet wil ontvangen, 28 maar hij zendt Athenobius aan Simon, om Joppe en Gadara terug te eisen, of vijfhonderd talenten daarvoor, 33 wat Simon weigert, 36 waarover de koning vertoornd raakt en Kendebeüs met krijgsvolk naar Judea zendt, om de Joden te beoorlogen.
1En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden van de zee aan Simon, de priester en overste van de Joden, en aan al het volk;
2En deze waren van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste, en het volk van de Joden voorspoed.
3Omdat enige slechte mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weer te verkrijgen, om dat te herstellen, zoals het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde soldaten aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid.
4En ik wil in het land komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk verwoest hebben, mag bekomen
5Nu dan ik bevestig u al de vrijstellingen, die u vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij geweest zijn, en al de andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben.
6En ik laat u toe, dat u een eigen munt mag slaan voor uw land.
7Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij zijn, en al de wapenen, die u bereid hebt, en de vestingen, die u gebouwd en die u nu hebt, die zullen van u blijven.
8En al wat u de koning schuldig bent, en al wat de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, van nu af en altijd.
9En als wij ons koninkrijk zullen bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken met grote heerlijkheid, zodat uw heerlijkheid openbaar zal worden in alle landen.
10In het honderdvierenzeventigste jaar is Antiochus opgetrokken naar het land van zijn vaders, en al de oorlogsmachten kwamen samen bij hem, zodat er weinigen bij Tryfon waren.
11En de koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.
12Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en dat hem de soldaten verlieten.
13En Antiochus sloeg zijn kamp op tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend strijdbare mannen, en achtduizend ruiters.
14En hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de zee samen, en benauwde de stad te land en ter zee, en liet niemand daar uit of in trekken.
15Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome, hebbende brieven aan de koningen en aan de landen, waarin deze dingen geschreven waren:
16Lucius, burgemeester van de Romeinen, wenst aan koning Ptolomeüs voorspoed.
17De gezanten van de Joden zijn tot ons gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap van de wapenen, gezonden door Simon, de hogepriester, en door het volk van de Joden;
18En hebben ons gebracht een schild van duizend ponden.
19Zo heeft ons dan goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van wapenen aannemen met degene, die hen bevechten.
20En wij hebben goedgevonden van hen het schild te ontvangen.
21Als er dan enige slechte mensen uit hun landen tot u gevlucht zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet.
22Dezelfde dingen heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;
23En in alle landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.
24En het afschrift daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester.
25En de koning Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen.
26En Simon zond hem tweeduizend uitgelezen mannen, om hem te helpen strijden, en zilver, en goud, en vele voorwerpen.
27En hij wilde dit niet ontvangen, maar verbrak al wat hij met hem tevoren gemaakt had, en werd van hem vervreemd.
28En hij zond aan hem Athenobius, één van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zei: U hebt bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk.
29U hebt het gebied daarvan verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, en u hebt vele plaatsen vermeesterd in mijn koninkrijk.
30Nu dan geeft weer over de steden, die u ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die u vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea zijn.
31Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee u verwoest hebt, en voor de tollen van de plaatsen, nog andere vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen.
32En Athenobius, de vriend van de koning, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van Simon, zijn verzameling drinkbekers, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden van de koning.
33En Simon, antwoordende, zei tot hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, en hebben van een ander goed niet bemachtigd, maar de erfenis van onze vaders, die door onze vijanden onrechtmatig bij zekere gelegenheid bemachtigd was.
34En wij hebben gelegenheid gekregen, en de erfenis van onze vaders weer tot ons gebracht.
35En wat betreft Joppe en Gazara, die u eist, die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, en ook aan ons land, toch zullen wij voor deze geven honderd talenten; en Athenobius antwoordde hem niet één woord;
36En hij keerde weer tot de koning met toorn, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn.
37Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar Orthosias.
38En de koning stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem soldaten, te voet en te paard.
39En hij beval hem, dat hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en dat hij het volk zou bevechten. En de koning vervolgde Tryfon.
40En Cendebeüs kwam tot Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron,
41En stelde daarin op ruiters en soldaten, opdat zij uitrukkend de wegen van Judea zouden doorlopen, zoals de koning hem bevolen had.