Bijbel1 Makkabeeën

1 Makkabeeën 2

Lees 1 Makkabeeën 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De priester Mattathias beweent met zijn vijf zonen de toestand van de Joden, 14 en bedrijft daarover grote rouw. 19 Hij weigert de koning te gehoorzamen, 23 en doorsteekt uit ijver een Jood die te Modin aan de afgoden offerde, alsook de afgezant van de koning, 28 waarop hij met zijn zonen vlucht naar het gebergte, en vele Joden naar de woestijn, 31 die daar belegerd worden en, niet willende vechten op de sabbat, allen doodgeslagen worden. 41 Mattathias, gesterkt zijnde met de Asideeërs en met de ontvluchten, stelt zich te weer, en verslaat velen van de vijanden van de Joden, en breekt hun altaren af. 49 En toen hij zou sterven, vermaant hij zijn zonen dapper te strijden voor de wet van God, 66 en nadat hij Judas Makkabeüs, een van zijn zonen, tot legeroverste had aangesteld, sterft hij.

1In die dagen stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin.

2En hij had vijf zonen, Johannes die toegenaamd was Jaddis,

3Simon, die genoemd was Thassi,

4Judas, die genoemd was Makkabeüs,

5Eleazar, die genoemd was Auäran, en Jonathan, die genoemd was Sapfus.

6En hij zag de godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem gebeurden,

7En zei: Ach mij, waarom ben ik daartoe geboren, om te zien de overlast van mijn volk, en de overlast van de heilige stad, en om daar te zitten, daar ze overgegeven is in de hand van de vijanden?

8Het heiligdom is in de hand van de vreemdelingen. De tempel is geworden als een man die ongeëerd is.

9De heerlijke voorwerpen zijn genomen en weggevoerd; de kleine kinderen zijn gedood in haar straten, en haar jongemannen door het zwaard van de vijand.

10Wat volk is er dat haar koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar roof niet gekregen heeft?

11Al haar sieraad is weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.

12En ziet, onze heiligdommen en onze schoonheid, en onze heerlijkheid zijn verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd.

13Waarom zouden wij nog willen leven?

14En Mattathias en zijn zonen scheurden hun kleren, en deden zakken aan, en bedreven zeer grote rouw.

15En daar kwamen enige van de koning wege, in de stad Modin, die de mensen dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren.

16En velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht.

17En die van de koning wege daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: U bent een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broers;

18Nu dan, komt u het eerst tot ons, en doe het bevel van de koning, zoals al de volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten zijn, en u zult, alsook uw huis, van de vrienden van de koning zijn, en u en uw zonen zullen verheerlijkt worden met zilver en goud, en vele geschenken.

19En Mattathias antwoordde en zei met een luide stem: Al was het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk van de koning zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst van zijn vaders, en zijn geboden aannam;

20Zo zullen ik en mijn zonen en mijn broers wandelen in het verbond van onze vaders;

21Heere wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet en de rechten.

22Het woord van de koning zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden onze godsdienst ter rechterhand of ter linkerhand.

23En als hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel van de koning.

24En Mattathias zag dat, en ijverde, en zijn nieren beefden, en hij ontstak met toorn zoals het recht is, en toelopende doodde hem op het altaar.

25En de man van de koning, die de mensen dwong te offeren, doodde hij ook op dezelfde tijd, en verbrak het altaar.

26En hij ijverde voor de wet, zoals vroeger Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom.

27En Mattathias riep uit in de stad met een luide stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.

28En hij en zijn zonen vluchtten naar de bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad.

29Toen gingen velen, die de gerechtigheid en het recht zochten, heen naar de woestijn;

30Om zich daar neer te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was.

31En de mannen van de koning, en de oorlogsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt dat er mannen, die het gebod van de koning hadden verbroken, in de holen in de woestijn waren gegaan, en dat velen hun toe liepen.

32En als zij hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de oorlog aan op de dag van de sabbat, en zeiden tot hen:

33Het is nog tijd dat u uitkomt, en doet naar het woord van de koning, en u zult het leven behouden.

34En deze zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord van de koning niet doen, om te ontheiligen de dag van de sabbat.

35En zij haastten met de strijd tegen hen.

36En deze antwoordden hun niet, en wierpen niet één steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:

37Laat ons allen sterven in onze eenvoud. De hemel en aarde getuigen over ons, dat u ons ten onrechte ombrengt.

38En zij stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen van de mensen.

39En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen gemaakt.

40En een man zei tot zijn naaste: Als wij allen zouden doen, zoals onze broers gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen.

41En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag van de sabbat, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven zoals onze broers in de holen gestorven zijn.

42Toen verzamelde zich bij hen de vergadering van de Asideeën, die sterk van macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de wet hield.

43En allen die deze rampen ontvlucht waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking.

44En zij brachten hun macht samen, en sloegen de zondaren in hun toorn, en de slechte mannen in hun woede; en de overgeblevenen vluchtten naar de heidenen om behouden te worden.

45En Mattathias en zijn vrienden trokken rondom en verbraken hun altaren.

46En zij besneden met kracht al de kinderen die onbesneden waren, zo velen zij vonden in het gebied van Israël;

47En vervolgden de kinderen van de hoogmoed, en dit werk werd voorspoedig in hun hand.

48Zij bevrijdden de wet uit de hand van de heidenen, en uit de hand van de koningen, en gaven de hoorn van de overwinning niet aan die zondaar.

49En als de dagen naderden dat Mattathias zou sterven, zei hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd, en de vergelding, en nu is de tijd van de verwoesting, en de grimmige toorn.

50Nu dan mijn kinderen, ijvert voor de wet en stelt uw zielen voor het verbond van uw vaders.

51Gedenk onze vaders, wat daden zij gedaan hebben in hun tijden, en u zult grote heerlijkheid ontvangen, en een eeuwige naam.

52Is Abraham in de verzoeking niet getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend?

53Jozef heeft in de tijd van zijn benauwdheid het gebod gehouden, en werd een heer van Egypte.

54Pinehas, onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen.

55Jozua, als hij het woord heeft volbracht, is een rechter in Israël geworden.

56Kaleb, als hij getuigenis heeft gegeven in de gemeente, heeft het erfdeel van het land gekregen.

57David, in zijn barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk geërfd.

58Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft geijverd, is opgenomen in de hemel.

59Ananias, Azaria, Misaël, als zij geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden.

60Daniël is in zijn eenvoud gerukt uit de mond van de leeuwen.

61En overdenkt zo van geslacht tot geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt worden.

62En vreest niet voor de woorden van de zondige man, want zijn heerlijkheid zal tot mest en wormen worden.

63Vandaag zal hij verhoogd worden en morgen zal hij niet gevonden worden, want hij zal terugkeren tot stof, en zijn overleggingen zullen vergaan.

64En u, mijn kinderen, wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want u zult in deze verheerlijkt worden.

65En ziet, Simon, uw broer, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.

66En Judas Makkabeüs is sterk van kracht, van zijn jeugd aan, deze zal uw krijgsoverste wezen, en u zult de oorlog van de volken voeren.

67En u zult tot u brengen allen die de wet doen, en zult de wraak van uw volk uitvoeren.

68Vergeld de heidenen de vergelding, en houdt u aan de geboden van de wet.

69En hij zegende hen, en werd bij zijn vaders gesteld.

70En hij stierf in het honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de graven van zijn vaders in Modin, en het hele Israël maakte over hem zeer grote rouw.