1 Makkabeeën 4
Lees 1 Makkabeeën 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Judas verslaat met weinig volk een groot leger van de vijanden, dat aangevoerd werd door de overste Gorgias. 15 Hij vervolgt de vluchtende vijanden, 18 plundert hun leger en steekt het in brand, 24 en zingt de HEERE een lofzang. 26 Lysias verzamelt tegen het volgende jaar een ander machtig leger. 29 Waartegen Judas zich stelt met tienduizend mannen, 30 en na de HEERE aangeroepen te hebben, valt hij hen aan en slaat hen op de vlucht. 37 Judas trekt met zijn leger naar Jeruzalem. 41 Hij bestrijdt de burcht. 43 Hij reinigt de tempel. 45 Hij neemt het altaar weg dat de heidenen ontheiligd hadden, 47 en bouwt een nieuw. 50 Hij herstelt de godsdienst, 54 en wijdt de tempel in. 59 Hij verordent dat ieder jaar een feest ter gedachtenis van deze inwijding gehouden zal worden. 60 Hij versterkt Sion met muren en krijgsvolk.
1En Gorgias nam tot zich vijfduizend man te voet, en duizend uitgelezen ruiters, en dit leger brak op in de nacht;
2Opdat zij vallen zouden op het leger van de Joden, en hen onvoorziens zouden slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.
3En Judas, dit horende, brak op, hij en zijn machtigen, om te slaan de oorlogsmacht van de koning, die in Emmaüs was;
4Terwijl zijn soldaten nog verstrooid waren van het leger.
5En Gorgias kwam in het leger van Judas in de nacht, en vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zei hij, deze vluchten voor ons.
6En zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke veld met drieduizend man; maar zij hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij graag wilden.
7En als zij nu het leger van de heidenen zagen, dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom stond, (en deze waren in de oorlog wèl ervaren),
8Zo zei Judas tot de mannen die met hem waren: Vrees hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.
9Gedenk hoe onze vaders zijn behouden in de Rode Zee toen Farao met grote macht hen vervolgde.
10En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond van de vaders; en Hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.
11En al de volken zullen verstaan dat er één is, die Israël verlost en behoudt.
12En de vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen;
13En zij trokken uit hun leger om te strijden, en die bij Judas waren bliezen de trompetten.
14En zij kwamen aan elkaar, en de heidenen werden geslagen, en vluchtten over het vlakke veld.
15Maar al de laatsten vielen voor het zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden van Idumeä toe, en tot Azote en Jamnia, en van hen vielen tot drieduizend man.
16En Judas en zijn soldaten keerden weer van hen te vervolgen;
17En hij zei tot het volk: Begeer hun plundering niet, want onze bestrijders zijn nog tegen ons;
18Gorgias en zijn soldaten zijn op de berg nabij ons, maar staat nu tegen onze vijanden, en bestrijdt hen, en plundert hen daarna met vrijmoedigheid.
19Als Judas dit nog voltooide te zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg;
20En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde wat er gebeurd was.
21En deze, dit ziende, vreesden zeer, en ook ziende dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed stond om te vechten.
22Zo zijn allen gevlucht naar het land van de vreemdelingen.
23En Judas keerde zich tot de plundering van het leger, en zij kregen veel goud en zilver, en vele kleren van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom.
24En teruggekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging tot God in de hemel, want dat is goed, omdat Zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid.
25En op die dag is Israël een grote verlossing gebeurd.
26En zo velen als er uit de vreemdelingen behouden waren, gingen heen en boodschapten aan Lysias al wat er gebeurd was.
27En hij dit horende, werd verslagen, en verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij graag gewild had, en het niet was uitgevallen, zoals hem de koning bevolen had.
28En hij verzamelde in het volgende jaar zestigduizend uitgelezen mannen, en vijfduizend ruiters om hen te bestrijden.
29En zij, in Idumeä gekomen zijnde, sloegen hun kamp op te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.
30En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zei: Gezegend bent U, o behouder van Israël, U, die de aanval van de machtige door de hand van Uw dienaar David gebroken hebt, en het leger van de vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.
31Besluit dit leger in de hand van Uw volk Israël, en laat hen beschaamd worden in hun macht en paarden.
32Geef hun versaagdheid, en doe de onverschrokkenheid van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door hun vermorzeling.
33Werp hen terneer door het zwaard van degenen, die U liefhebben, en laat allen, die Uw Naam kennen, U loven met lofzangen.
34Toen vielen zij op elkaar aan, en daar bleven van het leger van Lysias tot vijfduizend mannen, en vielen voor hen dáár neer.
35Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de onverschrokkenheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weer gesterkt zijnde, in Judea te komen.
36Judas en zijn broers zeiden: Zie onze vijanden zijn vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom te reinigen, en het opnieuw in te wijden.
37En het hele leger werd verzameld, en zij gingen op naar de berg Sion.
38En zij zagen het heiligdom verwoest, en het altaar ontheiligd, en de poorten verbrand, en in de voorhoven struiken gewassen, als in een kreupelbos of als op één van de bergen, en de kamers van de priester verwoest;
39En zij verscheurden hun kleren, en maakten zeer grote rouw, en wierpen stof op hun hoofden;
40En zij vielen op hun aangezicht op de aarde, en bliezen met de bazuinen alarm, en riepen tot God in de hemel.
41Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd hebben.
42En hij verkoos onberispelijke priesters, die de wet liefhadden.
43En zij reinigden het heiligdom, en namen de stenen van de besmetting weg, en brachten ze in een onreine plaats.
44En als zij raad hielden wat zij zouden doen met het altaar van het brandoffer, dat ontheiligd was.
45Zo is hun een goede raad ingevallen, om het weg te nemen, opdat hij hun niet tot smaad wordt, daar de heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit altaar weg;
46En zij brachten de stenen op de berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat er een profeet zou komen, om te antwoorden wat men met deze doen zou.
47En zij namen hele stenen naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante van het eerste.
48En zij bouwden het heiligdom, en het binnenste van het huis, en zij heiligden de voorhoven.
49En zij maakten nieuwe heilige voorwerpen, en zij brachten in de tempel de kandelaar, en het altaar van het brandoffer, en van de reukwerken, en de tafel.
50En rookten op het altaar, en ontstaken de lampen op de kandelaar, en zij gaven licht in de tempel.
51En zij zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken.
52En zij stonden vroeg in de morgen op, de vijfentwintigste van de negende maand (deze is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste jaar;
53En zij offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar van het brandoffer, dat zij gemaakt hadden;
54Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen dat ontheiligd hadden, op deze is het weer ingewijd, met gezangen, en citers, en harpen, en met cimbalen.
55En al het volk neervallende op hun aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had.
56En zij hielden deze inwijding van het altaar acht dagen lang, offerende met vreugde brandoffers, en slachtende offergaven van de behoudenis en van de lof.
57En versierden het voorste deel van de tempel, met gouden kronen en schilden, en vernieuwden de poorten, en de kamers van de priester, en maakten daar deuren aan.
58En daar was een zeer grote vreugde onder het volk, en de smaad van de heidenen is afgekeerd.
59En Judas met zijn broers, en de hele vergadering van Israël, bepaalden dat de dagen van de inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag van de maand Chasleu, zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap.
60En zij bouwden in die tijd rondom op de berg Sion hoge muren en sterke torens, opdat de heidenen niet te eniger tijd zouden komen en ze weer vertreden, zoals zij tevoren gedaan hadden.
61En zij zetten daar soldaten in, om ze te bewaren, en maakten ze sterk, om Bethsura te bewaren, opdat het volk een vesting zou hebben tegen Idumeä.