Bijbel1 Makkabeeën

1 Makkabeeën 6

Lees 1 Makkabeeën 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Antiochus poogt de rijke stad en tempel van Elymaïs te plunderen, 4 wat hem mislukt, 5 en toen hij vernomen had dat zijn leger in het land Juda verslagen was, wordt hij ziek van droefheid. 10 Hij erkent met leedwezen het kwaad dat hij te Jeruzalem gedaan had, 16 en sterft. 17 Antiochus Eupator, zijn zoon, wordt in zijn plaats aangesteld. 18 Judas belegert de burcht te Jeruzalem. 22 De belegerden zenden om hulp aan de koning, 28 die met een sterk leger komt voor Bethsura. 32 Judas trekt hem tegemoet. 34 De vijanden maken de olifanten gereed voor de strijd. 43 Eleazar Avaran steekt van onderen een van de voornaamste olifanten, die op hem valt en hem doodt. 50 De koning neemt Bethsura in, 51 belegert het heiligdom, 55 en toen Lysias vernam dat Filippus, de opvoeder van de koning, het rijk aan zich wilde trekken, 58 sluit hij vrede met de Joden, die de koning niet houdt, 63 en vertrekt naar Antiochië.

1En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, beroemd van rijkdom, van zilver en van goud;

2En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die het eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had;

3Zo is hij gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij kon niet, omdat deze zaak de mensen van die stad bekend werd.

4En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok vandaar met groot verdriet, en keerde weer naar Babylon.

5En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;

6En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met wapenen, en soldaten, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen hadden;

7En dat zij verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, zoals het eerst was, hadden omringd met hoge muren, en Bethsura, zijn stad.

8En het gebeurde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit verdriet in een ziekte is vervallen, omdat het hem niet was gegaan zoals hij gedacht had.

9En hij was daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven.

10Waarom hij al zijn vrienden riep, en zei tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart vervalt vanwege de zorgen.

11En ik heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en geliefd was geweest in mijn heerschappij!

12Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren voorwerpen, die daarin waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb om de inwoners van Juda zonder oorzaak uit te roeien.

13Ik beken dat vanwege deze dingen mij deze ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van groot verdriet in een vreemd land.

14En hij riep Filippus, één van zijn vrienden, en stelde hem over zijn hele koninkrijk;

15En hij gaf hem zijn kroon, en zijn koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zijn zoon Antiochus zou halen, en hem opvoeden om koning te zijn.

16En de koning Antiochus stierf daar, in het honderdnegenenveertigste jaar.

17En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, die hij in zijn jeugd opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator.

18Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd zochten veel kwaad te doen, en een vesting waren voor de heidenen;

19Zo nam Judas zich voor deze te vernietigen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren.

20Die, samen verzameld zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste jaar, en hij maakte tegen hen stormgereedschap en andere instrumenten van geweld.

21En enige van die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit Israël voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en zeiden:

22Hoe lang zult u geen recht oefenen, en zult onze broers niet wreken?

23Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in wat door hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de mensen van dit volk van ons vervreemd werden.

24Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze erfgoederen werden geroofd;

25En zij strekten hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun gebied.

26En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt.

27En als u hun niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen dan deze, en u zult hen niet kunnen tegenhouden.

28En de koning werd boos toen hij dit hoorde, en verzamelde al zijn vrienden, de oversten van zijn soldaten, en die over de ruiterij waren.

29En van andere koningen en van de eilanden van de zee kwamen veel soldaten tot hem, die gehuurd waren.

30Zodat het getal van zijn soldaten was honderdduizend voetknechten, en twintigduizend ruiters, en tweeëndertig olifanten, ten oorlog geleerd.

31En zij kwamen door Idumeä, en sloegen hun kamp op tegen Bethsura, dat zij vele dagen bevochten, en maakten instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.

32En Judas brak op van de burcht en sloeg zijn kamp op in Bethzacharia tegenover het leger van de koning.

33En de koning stond op, vroeg in de morgen, en verplaatste het leger; het in grote haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, en het leger verdeeld zijnde om te vechten, zo bliezen zij de trompetten.

34En zij toonden de olifanten het sap van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger te maken.

35En zij verdeelden de beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke olifant duizend mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliënkolders, en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd uitgelezen ruiters werden bestemd bij elk beest.

36Deze waren altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, daar gingen zij mee, en weken van hetzelfde niet.

37En op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.

38En de overige soldaten stelden de oversten aan de twee delen van het leger, ter weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende.

39Zodat als de zon op de gouden schilden scheen, de bergen daarvan blonken, en lichtten zoals lampen van vuur.

40En een deel van het leger van de koning werd uitgebreid tot de hoge bergen en sommige naar de laagten, en trokken in verzekerdheid en goede orde.

41En zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het geluid van de wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.

42En Judas en zijn leger naderden om te slaan, en daar vielen van het leger van de koning zeshonderd mannen.

43En Eleazar Auäran zag één van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekend boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;

44En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en om zichzelf een eeuwige naam te verkrijgen.

45En hij liep zeer dapper op hem toe, midden in de slagorden, en hij sloeg dood ter rechterhand en ter linkerhand, en zij verdeelden zich ter weerszijden van hem.

46En hij ging onder de olifant, en hij zette zich onder deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.

47En als zij zagen de sterkte van de koning, en de aanval van de soldaten, weken zij van hen af.

48En die van het leger van de koning waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion.

49En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, omdat zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar van het land was.

50En de koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren.

51En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen, en hij stelde daar stormgereedschap en instrumenten van geweld om vuur en stenen te werpen; en schorpioenen, om pijlen te werpen en te slingeren.

52En zij maakten ook instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten vele dagen.

53En zij hadden geen eetwaren in hun kruiken, omdat het het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen in Judea gevlucht waren, hadden het overige, dat weggelegd was, gegeten.

54En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, omdat de honger hen had overweldigd, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.

55Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou zijn,

56Weergekeerd was van Perzië en Medië, met de oorlogsmachten van de koning die met hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken daarvan,

57Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkaar aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van de soldaten, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen.

58Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun volk.

59En laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun wetten, zoals tevoren. Want vanwege hun wetten, die wij verbroken hebben, zijn zij boos geworden, en hebben al deze dingen gedaan.

60Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen hem aan.

61En de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de vesting;

62En de koning ging op de berg Sion, en bezag de vesting van de plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen.

63En is haastig vertrokken, en keerde weer naar Antiochië, en hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij streed tegen hem, en nam de stad in met geweld.