Bijbel1 Makkabeeën

1 Makkabeeën 7

Lees 1 Makkabeeën 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Demetrius, de zoon van Seleucus, wordt koning van Syrië, en laat Antiochus en Lysias doden. 5 Alcimus beschuldigt, om hogepriester te worden, bij hem Judas en zijn broers. 8 Tegen hen zendt de koning Bacchides met een sterk leger, en maakt Alcimus tot hogepriester. 13 De Asideeërs sluiten vrede met hen, en worden tegen alle toezegging in tezamen vermoord. 19 Bacchides trekt naar de koning. 21 Alcimus strijdt om het hogepriesterschap, en omdat hij niet kan standhouden, trekt hij ook naar de koning, 26 die Nicanor naar Jeruzalem zendt, 29 die Judas zoekt te bedriegen, 31 en dreigt de tempel te verbranden als men hem Judas niet uitlevert. 37 De priesters roepen tot de HEERE. 40 Judas verslaat Nicanor en zijn gehele leger, 48 en er wordt verordend dat deze dag van de overwinning ieder jaar gevierd zou worden.

1In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

2En het gebeurde, toen hij ging naar het koninklijke huis van zijn vaders, dat de soldaten Antiochus en Lysias grepen, om die tot hem te brengen.

3En als hem deze zaak bekend werd, zei hij: Toon mij hun gezichten niet.

4De soldaten doodden hen, en Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk.

5En tot hem kwamen alle verbrekers van de wet, en goddeloze mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap hebben.

6En zij beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn broers hebben al uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.

7Zend dan nu een man, die u vertrouwt, die daar heenreizende, beziet al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en aan het land van de koning, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe.

8En de koning verkoos Bacchides, een vriend van de koning, die regeerde aan de overzijde van de rivier, en groot was in het koninkrijk, en de koning getrouw.

9En hij zond deze; en meteen de goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te doen over de Israëlieten.

10En zij trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn broers, vreedzame woorden sprekende met bedrog.

11Maar zij luisterden naar hun woorden niet, want zij wisten dat zij met grote krijgsmacht gekomen waren.

12En een vergadering van schriftgeleerden verzamelde zich bij Alcimus en Bacchides om enige redelijke zaken te verzoeken.

13En de Asideeën waren de eerste onder de kinderen van Israël, en zij vroegen hun vrede.

14Want zij zeiden: Een man, die een priester is uit het zaad van Aäron, is gekomen met de soldaten, en die zal ons geen ongelijk aandoen.

15En hij sprak met hen vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen u, en onze vrienden geen kwaad toebrengen.

16En zij geloofden hem; maar zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op één dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:

17Zij hebben het vlees van uw heiligen, en hun bloed vergoten rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef.

18En een vrees voor hen, en een beving viel op het hele volk, zodat zij zeiden: Daar is geen waarheid, noch recht onder hen, want zij hebben het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken.

19En Bacchides trok op van Jeruzalem, en sloeg zijn kamp op te Bezeth, en zond heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enige van het volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote put.

20En hij stelde Alcimus over het land, en hij liet bij hem soldaten, die hem zouden helpen; en Bacchides trok heen naar de koning.

21En Alcimus streed om het hogepriesterschap.

22En tot hem werden verzameld allen die hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het land van Juda, en brachten een grote nederlaag te Jeruzalem.

23En Judas, als hij zag al de boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de Israëlieten deden meer dan de heidenen,

24Trok uit in al het gebied van Judea rondom, en deed wraak over al de mannen, die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.

25En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weer tot de koning, en beschuldigde hen van slechte dingen.

26En de koning zond Nicanor, één van zijn vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.

27En Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broers, met bedrog sprekende, vreedzame woorden;

28Zeggende: Laat geen strijd zijn tussen mij en u. Ik zal komen met weinig mannen, opdat ik uw gezichten mag zien met vrede.

29En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkaar vreedzaam. En de vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen.

30En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.

31En Nicanor, wetende dat zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken te Cafarsarama.

32En daar vielen aan de zijde van Nicanor ongeveer vijfhonderd mannen, en zij vluchtten in de stad van David.

33En na deze zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar gingen enige van de priesters uit het heiligdom, en enige van de ouderlingen van het volk, om hem vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd.

34Maar hij bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde hen, en sprak hoogmoedig.

35En hij zwoer met toorn, zeggende: Als Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd in mijn handen, zo zal het gebeuren, als ik met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En hij ging heen met grote toorn.

36En de priesters gingen in de tempel, en stonden voor het altaar en de tempel, en huilden en zeiden:

37Heere, U hebt dit huis uitverkoren, dat Uw Naam daarin zou aangeroepen worden, en dat het Uw volk zou zijn een huis van het gebed en van de smeking;

38Doe toch wraak over deze mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben.

39En Nicanor trok uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op te Bethoron, en daar ontmoetten hem de soldaten van Syrië.

40En Judas sloeg zijn kamp op in Adasa met drieduizend man, en Judas bad God, en zei:

41Vroeger als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.

42Vermorzel dan zo dit leger vandaag voor ons, opdat de overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk hebben gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid.

43En de legers kwamen met elkaar te strijden, op de dertiende dag van de maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd viel.

44Als nu zijn leger zag dat Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vluchtten.

45En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten.

46En uit alle plaatsen van Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, deze tot anderen, en zij vielen allen door het zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten.

47En zij kregen de buit en de roof, en het hoofd van Nicanor, en zijn rechterhand, die hij hoogmoedig had uitgestrekt, afgehouwen hebbende, brachten zij mee en hingen ze op bij Jeruzalem.

48En het volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een dag van grote verheuging.

49En zij bepaalden dat die dag alle jaren zo zou gehouden worden, de dertiende van de maand Adar.

50En het land van Juda was enige dagen in rust.