1 Makkabeeën 8
Lees 1 Makkabeeën 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Judas, onderricht zijnde over de macht en het goede bestuur van de Romeinen, 17 zendt Eupolemus en Jason om met hen een verbond te sluiten. 21 Die door de raad goed ontvangen worden. 23 De artikelen van het verbond. 31 En het schrijven van de Romeinen aan Demetrius.
1En Judas hoorde de naam van de Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al wat hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.
2Want hem werden verhaald hun oorlogen, en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden, en hen onder belasting hadden gebracht.
3En wat zij gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen van zilver en van goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden bemachtigd door hun goede raad en geduld, hoewel de plaatsen zeer ver van hen gelegen waren.
4En de koningen, die van het uiterste van de aarde tegen hen gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen, en dat de overgeblevenen hun jaarlijks belasting gaven;
5En dat zij Filippus, en Perseus, koningen van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren in de strijd, vermorzeld en hen overwonnen hadden;
6En onder deze Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel soldaten, en dat die ook door hen was vermorzeld.
7En dat zij hem levend gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen zouden zijn, hadden opgelegd hun een grote belasting te geven, en gijzelaars te stellen, en een scheiding te maken;
8En te geven het land van Indië, en Medië, en Lydië, en andere van hun beste landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende, de koning Eumenes gegeven hadden.
9En als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen was verstaan,
10Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun vestingen verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende, tot slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe;
11En dat zij de overige koninkrijken en eilanden, die hen enigszins tegenstonden, verwoest en tot slavernij gebracht hadden;
12Maar dat zij met hun vrienden, en die met hen tevreden waren, vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken, die nabij, en die verre waren, bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor hen vreesden;
13En dat allen, die zij wilden helpen en laten regeren, dat die regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren;
14En dat in deze allen niemand van hen een kroon opzette, noch een purperen kleed aantrok, om zich daarin voortreffelijk te vertonen;
15Maar dat zij zichzelf een Raad hadden gemaakt, en dat dagelijks driehonderdentwintig Raadslieden van het volk raad hielden, om het wel te regeren;
16En dat zij één man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunst noch jaloëzie was.
17En Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap van wapenen te maken.
18En om van hen het juk weg te nemen, omdat zij zagen dat het rijk van de Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij bracht.
19En zij reisden naar Rome, en de weg was zeer lang, en gingen in de raad, en antwoordden en zeiden:
20Judas Makkabeüs en zijn broers en de menigte van de Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met u gemeenschap van wapenen zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden.
21En deze rede was aangenaam voor hen.
22En dit was het afschrift van de brief, die zij schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken van de vrede en van de gemeenschap van wapenen:
23Dat het de Romeinen en het volk van de Joden moet welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. En het zwaard en de vijand moet ver van hen zijn.
24Maar als enige oorlog zou mogen ontstaan eerst tegen Rome, of tegen enige, die gemeenschap van de wapenen met hen hebben, in hun gebied,
25Zo zal het volk van de Joden met volle genegenheid van het hart de Romeinen in de oorlog bijstaan, zoals de gelegenheid van de tijd hun zal voorschrijven.
26En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen geven noch bestellen; zo heeft de Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden, zonder daarvoor iets te ontvangen.
27En volgens deze, zo het volk van de Joden eerst oorlog zou mogen overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven.
28En die met hen strijden zal niets gegeven worden, noch proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden, en dat zonder bedrog.
29Volgens deze woorden maakten de Romeinen met het volk van de Joden een verbond.
30En als na deze woorden de één of de ander iets zullen willen daarbij doen of afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar hun eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen doen of daar afdoen, dat zal bondig wezen.
31Verder voor wat betreft het kwaad, dat de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt u uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?
32Als zij dan ons weer zullen verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen te water en te land.