Bijbel1 Makkabeeën

1 Makkabeeën 9

Lees 1 Makkabeeën 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Demetrius zendt Bacchides en Alcimus met nieuwe troepen naar Judea. 5 Waartegen Judas zich stelt met drieduizend mannen, die bijna allen weglopen. 8 De overgeblevenen raden Judas aan te vluchten. 10 Wat hij weigert te doen, 13 en hij strijdt tegen de vijanden van 's morgens vroeg tot de avond, 18 en Judas wordt verslagen, 20 waarover de Joden grote rouw bedrijven. 30 Jonathan, zijn broer, wordt in zijn plaats aangesteld. 35 Die zich wreekt over de kinderen van Ambri, die zijn broer Johannes gevangen en gedood hadden. 43 Bacchides zoekt Jonathan te verslaan, maar wordt door hem gedwongen achterwaarts te wijken. 50 Jonathan versterkt vele steden in Judea. 55 Alcimus wordt getroffen en sterft. 57 Bacchides trekt naar de koning. 58 Enige wetverbrekers halen hem terug. 64 Hij belegert Bethbasi, en wordt door Simon verslagen, 70 en sluit vrede met Jonathan.

1Als Demetrius hoorde hoe Nicanor en zijn soldaten de oorlog gevoerd hadden, zo voer hij voort Bacchides en Alcimus voor de tweede keer te zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel van zijn soldaten.

2En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en sloegen hun kamp op te Masaloth, dat in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielden vele zielen van mensen.

3En in de eerste maand van het honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem op.

4En zij braken op en trokken naar Berea, met twintigduizend man te voet, en tweeduizend ruiters.

5En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen mannen met hem.

6En zij zagen de menigte van het oorlogsvolk, dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en velen liepen weg uit het leger, zodat er uit hen maar achthonderd man overbleven.

7Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had om hen weer bijeen te verzamelen, en hij werd zeer verslagen;

8En zei tot de overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken tegen onze vijanden, of wij hen mochten slaan.

9Maar zij hielden hem daarvan af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden, keert nu weer, want onze broers zijn weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn?

10En Judas zei: Volstrekt niet van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vluchten; zo onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om onze broers wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer.

11Ondertussen braken de soldaten van Bacchides op uit hun leger, en stonden tegen hen, en de ruiterij was verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen vochten hadden de voortocht voor de soldaten, en al de machtigen waren gesteld om eerst te strijden.

12En Bacchides was bij de rechtervleugel van het oorlogsvolk, en de slagorden, bestaande uit die twee delen, naderden, en zij bliezen de trompetten.

13En die met Judas waren bliezen ook zelf de trompetten, zodat de aarde van het geluid van het leger beefde, en zij vochten tegen elkaar vroeg in de morgen tot de avond toe.

14En Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek van hart waren, voegden zich bij hem.

15En de rechtervleugel werd geslagen door deze, en hij vervolgde hen tot de berg van Azote toe.

16En die in de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd.

17En de strijd werd geweldig, en daar vielen vele gekwetsten aan de ene en de andere zijde.

18En Judas viel ook, en de overigen namen de vlucht.

19En Jonathan en Simon namen Judas, hun broer, op en begroeven hem in het graf van zijn vaders te Modin.

20En geheel Israël beweende hem en bedreef grote rouw over hem vele dagen, en zeiden:

21Hoe is de machtige gevallen, die Israël verloste?

22En wat nog overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele.

23En het gebeurde na de dood van Judas, dat alle verbrekers van de wet in het gebied van Israël tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid werkten, opstonden.

24In die dagen werd daar een zeer grote hongersnood, en het land viel af met hen.

25En Bacchides verkoos goddeloze mannen en stelde hen tot heren van het land.

26En zij zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte.

27Daar was in Israël een zo grote verdrukking, als er geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet meer onder hen gezien was.

28Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan:

29Van dat uw broer Judas gestorven is, is geen man geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk.

30Nu dan wij hebben u vandaag uitverkoren om onze overste te zijn in zijn plaats, en veldoverste, om onze oorlog te voeren.

31En Jonathan nam, in die gelegenheid van de tijd, het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broer.

32En Bacchides dat vernemende, zocht hem te doden.

33En Jonathan en zijn broer Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vluchtten in de woestijn Thekoa, en sloegen hun kamp op bij het water van het meer Asfar.

34Bacchides dit vernemende, kwam op de dag van de sabbat, met al zijn soldaten over de Jordaan.

35En Jonathan zond zijn broer, die overste was over de menigte, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.

36En de kinderen van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken.

37En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broer Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van één van de grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath.

38Waarom zij, gedenkende aan hun broer Johannes, optrokken en zich verborgen in een hol van de berg.

39En hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet, daar kwam een geluid, en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broers gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en wapenen.

40En zij rezen op uit hun hinderlaag tegen hen, en doodden hen, en vele gekwetsten vielen, en de overgeblevenen vluchtten naar de berg; en zij kregen al hun buit.

41En zo werd de bruiloft veranderd in treuren, en het geluid van hun muziek in klagen.

42En zij deden zo wraak over het bloed van hun broer, en keerden weer aan de kant van de Jordaan.

43Bacchides, dit horende, kwam op de dag van de sabbat tot de oever van de Jordaan, met veel soldaten.

44En Jonathan zei tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor onze zielen, want het is vandaag niet zoals gisteren en eergisteren.

45Want ziet, wij hebben de oorlog voor ons en achter ons, en het water van de Jordaan is aan de ene en aan de andere zijde, alsook het moeras en kreupelbos, en daar is geen plaats om te ontwijken.

46Roep dan nu tot God in de hemel, dat u uit de handen van de vijanden mag behouden worden.

47En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides te slaan, en hij ontweek hem naar achteren.

48En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan, en zwommen over, en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen.

49En aan de zijde van Bacchides vielen die dag ongeveer duizend man, en hij keerde weer naar Jeruzalem.

50En hij bouwde sterke steden in Judea, en de vesting in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten, en grendels.

51En zij stelden daarin bezetting, om Israël vijandig te bestrijden.

52En hij maakte de stad van Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin soldaten en voorraad van voedsel.

53En hij nam de zonen van de overste van het land tot gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren.

54En in het honderdendrieënvijftigste jaar, in de tweede maand, gebood Alcimus dat de muur van de binnenste voorhof van het heiligdom zou afgebroken worden, en hij verbrak de werken van de profeten, en hij begon het te verbreken.

55En in dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij kon niet één enig woord meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen geven.

56En Alcimus stierf in dezelfde tijd met grote pijn.

57En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weer tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren.

58En al de verbrekers van de wet hielden raad, en zeiden: Zie, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen samen in één nacht grijpen.

59En zij reisden heen en beraadslaagden met hem.

60En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij zond in het geheim brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, maar zij konden niet, omdat hun raad aan deze bekend werd.

61En zij grepen van de mannen van het land, die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen.

62En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij bouwde op wat daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.

63Als Bacchides dat vernam, zo verzamelde hij al zijn menigte, en ontbood ook die in Judea waren.

64En hij kwam en sloeg zijn kamp op tegen Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen, en maakte instrumenten van geweld.

65En Jonathan liet zijn broer Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weer met een groot getal.

66Hij sloeg Odomer en zijn broers, en de zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij begon te slaan, en met zijn soldaten op te trekken,

67Zo zijn Simon en die met hem waren uitgevallen uit de stad, en verbrandden de instrumenten van geweld.

68En zij vochten tegen Bacchides, en hij werd door hen geslagen, en zij drukten hem geheel zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was.

69En zij werden boos in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.

70En Jonathan dit verstaande, zond tot hem gezanten, om met hem vrede te maken, en dat de gevangenen hun mochten vrij gegeven worden.

71En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven.

72En hij gaf hem de gevangenen over, die hij tevoren in het land van Juda gevangen had genomen; en teruggekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weer ondernomen in hun gebied te komen.

73En zo rustte het zwaard in Israël; en Jonathan ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk te richten, en maakte dat de goddelozen in Israël niet verschenen.