Bijbel1 Meqabyan

1 Meqabyan 29

Lees 1 Meqabyan 29 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En bovendien, toen Egypte de kinderen van Israël verdrukte met harde arbeid en met het bouwen van muren, en met alle arbeid die zij hen lieten doen, en met tichelstenen zonder stro;

2en zij stelden over hen drijvers van de arbeid en lieten hen werken; toen riepen zij tot God, opdat Hij hen zou verlossen uit al hun slavendienst van Egypte.

3En in die dag zond Hij hun hun hulp, Mozes en Aäron, en zij verlosten hen van het bouwen van muren; want God had hen gezonden om Zijn volk uit te leiden uit het huis van de dienstbaarheid van Farao, de koning van Egypte; want in zijn hoogmoed weigerde hij het volk te laten gaan, opdat zij niet zouden dienen en aan God geen offer zouden brengen in de woestijn.

4Want de hovaardigen versmaadt God; en vanwege de hoogmoed van Farao verdronk God hem met zijn leger in de Rode Zee.

5En evenzo zij die het woord van God versmaden, zijnde koningen en vorsten, en die geen goed doen in alles waartoe Hij hen aangesteld en tot koning gemaakt heeft, opdat zij Zijn wil zouden doen en het loon zouden geven aan hen die wél dienen, en Zijn grote naam zouden eren.

6Maar als zij Mijn koninkrijk recht besturen, zal Ik ook hun koninkrijk recht besturen, zegt God die over alles heerst.

7Doet Mij goed, en Ik zal ook u goed doen; bewaart Mijn gebod, en Ik zal ook uw ziel bewaren; wandelt in Mijn gebod, en Ik zal ook wandelen naar uw hart.

8Hebt Mij lief, en Ik zal ook uw leven liefhebben; en neemt uw toevlucht tot Mij, en Ik zal ook u sterken.

9En vertrouwt op Mij, en Ik zal ook u verlossen, zegt God die over alles heerst.

10En wijkt niet af naar de kromme weg; nadert tot Mij, en Ik zal tot u naderen; want Ik heb de rechte wegen lief, zegt God die over alles heerst. Reinigt uw handen, u zondaren en onreinen, en doet het kwaad van uw hart weg.

11En Ik zal ook Mijn toorn van u wegnemen, en Mij tot u wenden in genade en in ontferming.

12En Ik zal verre van u wegdoen de vijanden, de wettelozen die onrecht bedrijven, zoals Ik David, Mijn knecht, verlost heb uit vele beproevingen die hem overkwamen: uit de hand van Goliath den reus, en uit de hand van Saul die zocht hem te doden, en uit de hand van Absalom, zijn zoon, die begeerde zijn koninkrijk te nemen.

13En evenzo verlos Ik hen die Mijn wil doen en Mijn gebod bewaren en volharden in Mijn wet; en Ik geef hun heerlijkheid tot erfdeel en doe hen heersen boven allen, opdat zij zich verheugen in deze wereld en in de wereld die komt.

14En zij zullen deelgenoten zijn met de gezegende koningen die God behaagd hebben in de dagen van hun leven; gelijk Samuël, toen hij nog een kind was, dien God van zijn jeugd af verkoren heeft in de dagen van zijn leven.

15En Hij sprak tot hem, dat hij het zou zeggen aan Eli, den bejaarden priester; en goed was de wandel van Samuël den profeet, terwijl hij diende in het huis van den Heere God.

16En toen hij opgroeide in het huis van God, terwijl hij diende, stelde Hij hem aan om het volk aan te stellen en koningen te zalven naar het gebod van God. En Hij gaf in zijn hand de zalving van het koningschap, toen hij de wil deed van den Heere zijn God; want hij behaagde Hem voor Zijn aangezicht, om koning te maken over het volk hem dien God verkoren had uit de kinderen van Israël.

17En terwijl Saul in het koningschap was, zei God tot Samuël den profeet: Ga, zalf David, de zoon van Isaï, die van het huis van Juda is, want in hem heb Ik welbehagen.