Bijbel1 Meqabyan

1 Meqabyan 33

Lees 1 Meqabyan 33 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En verder spijzigde Ik hen met manna in de woestijn, met brood, zoals David gezegd heeft: En het brood van Zijn engelen aten de mensenkinderen. En dit alles deed Ik voor hen, opdat zij Mij zouden dienen in gerechtigheid en in oprechtheid.

2Maar zij, zij dienden Mij niet; en Ik, ook Ik heb hen vergolden,[^1] zegt God die over alles heerst; en zij vertoornden Mij, en wandelden op een weg die niet de Mijne was.

3En Ik, naar hun werken vergeld Ik hun, en naar het werk hunner handen heb Ik hen vergolden, omdat zij Mijn dienst verzuimden en niet volhardden in Mijn inzetting en in Mijn raad; en Ik deed hen neerdalen in het gericht des oordeels dat in de hemelen is.

4En ook op de aarde verkort Ik hun dagen, omdat zij Mijn gebod niet bewaarden, en Ik, Ik ben op hen vertoornd.

5En u ook, koning, bent u niet een mens die sterft en vergaat, die morgen worm en gewormte en as wordt?

6En nu roemt u en verheft u zich, als een die in eeuwigheid niet sterft.

7Terwijl u een mens bent die nu levend verschijnt en morgen sterfelijk is, zegt God die over alles heerst.

8En zo u Mijn woord en Mijn gebod bewaart, doe Ik u de heilige stad beërven, met hen die Mijn wil gedaan hebben, de geëerde koningen van wie de woningen licht zijn en van wie de kronen schoon zijn, en hun tronen van goud en van zilver, die bereid zijn, waarop zij zitten.

9En u zult u verheugen in Zijn stad, die een nabije woning is voor de werkers van goede dingen.

10Maar voor de werkers van het kwaad past het niet dat zij ingaan in die stad, waar de geëerde koningen ingaan.

11Want zij bewaarden Mijn woord en Mijn inzetting niet, zegt God die over alles heerst.