1 Petrus 1
Lees 1 Petrus 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Na het opschrift van de brief 3 dankt de apostel God dat Hij ons heeft wedergeboren tot een onvergankelijke erfenis, 5 en dat Hij ons door het geloof tot de zaligheid bewaart 6 en ons verheugt te midden van alle beproevingen. 8 Daarom hebben wij Hem ook met vreugde lief, hoewel wij Hem niet zien. 10 Verder getuigt hij dat de leer van deze genade niet nieuw is, en ook niet gering, maar dat de Geest van Christus die in de oude profeten al heeft voorzegd, 12 en dat de engelen verlangen daarin door te dringen. 13 Daarna komt hij tot verschillende vermaningen, en vooral tot een vaste hoop op deze genade, 14 tot heiligheid, 17 tot het verder afleggen van alle ijdele levenswandel waaruit wij door het bloed van Christus verlost zijn. 20 Hij leert dat God Christus tot dit middelaarsambt wel van eeuwigheid heeft uitverkoren, maar dat Hij nu geopenbaard is omwille van ons. 22 Daaruit leidt hij opnieuw een vermaning af tot onderlinge broederlijke liefde, 23 omdat wij door het onvergankelijke zaad van het Evangelie daartoe zijn wedergeboren.
1Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië,
2De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
3Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
4Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
5Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd.
6In welke u zich verheugt, nu een korte tijd (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
7Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden wordt te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
8Die u niet gezien hebt, en toch liefhebt, in Die u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;
9Verkrijgende het einde van uw geloof, namelijk de zaligheid van de zielen.
10Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u gebeurd;
11Onderzoekende, op welke of wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
12Die geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
13Daarom opschortende de middel van uw verstand, en nuchter zijnde, hoopt volkomen op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus.
14Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die te voren in uw onwetendheid waren;
15Maar zoals Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook u heilig in al uw wandel;
16Daarom er geschreven is: Wees heilig, want Ik ben heilig.
17En als u tot een Vader aanroept Hem, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar het werk van ieder, zo wandelt in vrees de tijd van uw inwoning;
18Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaders overgeleverd is;
19Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
20Die wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
21Die door Hem gelooft in God, Die Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.
22Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vurig lief uit een rein hart;
23U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.
24Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
25Maar het Woord van de Heere blijft in eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.