1 Samuël
Oude Testament · 31 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Eerst wordt in dit boek de geboorte van Samuel verteld en beschreven, en hoe zijn moeder hem aan de dienst van God heeft toegewijd, evenals de lofzang van zijn moeder; en ook de moedwillige boosheid van de zonen van Eli, die hierover door een man van God bestraft worden, en aan wie de ondergang van zijn huis voorzegd wordt, wat Samuel hem ook verkondigt, die tot een profeet van God aangesteld en als zodanig door het volk erkend wordt. Daarna wordt in dit boek verteld hoe Israël door de Filistijnen verslagen wordt, en hoe de ark genomen en weggevoerd wordt; toen Eli dit hoorde, viel hij achterover en brak zijn nek. De Filistijnen brengen de ark van de HEERE in de tempel van hun afgod Dagon, die voorover valt en in stukken breekt, en de Filistijnen worden jammerlijk door God geplaagd aan de geheime delen van hun lichaam. Daarom zenden zij de ark van het verbond weer terug, met geschenken. Zij komt te Beth-Semes in het land van Juda; vandaar wordt zij gevoerd naar Kirjath-Jearim, waar Samuel een hervorming in de godsdienst instelt. En hij roept het volk samen te Mizpa, waar de Filistijnen hen wilden overvallen, maar God verschrikt hen met een grote donder, en zij worden door de Israëlieten verslagen. De zonen van Samuel, die hij op zijn oude dag tot richters had aangesteld, volgen de voetsporen van hun vader niet, en daarom begeren de Israëlieten een koning, wat de HEERE mishaagt, die hun door Samuel voorhoudt hoe zij door de koning behandeld zullen worden. Maar toen het volk toch bij dit verzoek bleef, hebben God en Samuel daarin toegestemd, en hij zegt tegen Saul, die te Mizpa bij hem gekomen was, dat hij de man was die tot koning over Israël gesteld zou worden, en hij zalft hem tot koning. Deze verslaat in het begin van zijn regering de Ammonieten. Samuel legt zijn richterambt neer, en nadat hij verteld had hoe hij zich daarin gedragen had, wordt hij met een heerlijk getuigenis ontslagen en bedankt. Saul en Jonathan voeren oorlog tegen de Filistijnen en anderen, en verslaan hen. Saul wordt door Samuel aangezegd dat de HEERE het koningschap van hem zou afnemen, en hij zalft David tot koning over Israël. Deze strijdt met de reus Goliath en overwint hem. Toen Saul jaloers geworden was over de eer en het aanzien dat David betoond werd, staat hij hem naar het leven. Daarom vlucht David van het hof en komt bij Samuel te Najoth, en hij sluit een verbond van vriendschap met Jonathan, de zoon van Saul. Hij vlucht en neemt zijn toevlucht tot Achis, de koning van de Filistijnen, waar hij zich aanstelt alsof hij niet wijs is. Hij trekt naar Adullam, waar zijn verwanten en anderen zich bij hem voegen, maar hij zwerft van de ene plaats naar de andere; en Saul laat de priester Achimelech en het hele huis van zijn vader doden, evenals 85 priesters en de inwoners van Nob, omdat zij David en de zijnen onderdak en voedsel gegeven hadden. David vlucht naar de woestijn Zif, vandaar naar de woestijn Maon, waar Saul hem blijft vervolgen, totdat hij bericht krijgt dat de Filistijnen het land waren binnengevallen. Nadat hij die tegengehouden had, vervolgt hij David verder, maar ten slotte erkent hij tegenover hem zijn schuld en smeekt David zijn geslacht te sparen wanneer hij koning zou geworden zijn. Daarna wordt de dood van de profeet Samuel verteld, en Davids handelwijze met Nabal en met Abigaïl, evenals hoe Saul voortging met het vervolgen van David, zodat David ten slotte gevlucht is naar Achis, de koning te Gath, die hem de stad Ziklag geeft. Vandaar trekt hij met zijn krijgsvolk uit en berooft en doodt enkele van de naburige volken. Toen de Filistijnen nu met grotere macht ten strijde trokken tegen Israël, raadpleegt Saul de HEERE, maar toen die hem niet antwoordde, zoekt Saul raad bij een waarzegster. David, die bereid en gewillig was om met koning Achis ten strijde te trekken tegen Saul, wordt teruggezonden. In zijn afwezigheid wordt Ziklag door de Amalekieten geplunderd, maar hij herovert de buit op hen. Ten slotte worden in dit boek de dood en ondergang van Saul en zijn zonen beschreven.