1 Samuël 11
Lees 1 Samuël 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Nahas belegert Jabes in Gilead, vers 1 enz. Hij wil de belegerden niet aannemen dan onder harde voorwaarden, 2. De belegerden vragen zeven dagen om zich hierover te beraden, 3. en nadat zij die verkregen hebben, vragen zij hulp van hun broeders, 4. Toen Saul deze onredelijke voorwaarden hoorde, werd hij zeer toornig, 5. Hij bereidt zich voor om Jabes te ontzetten, 6. met een leger van 330.000 man, 8. Hij laat de inwoners van Jabes weten dat hij hen zou ontzetten, 9. Die hun belegeraars misleiden, 10. Hoe Saul Jabes ontzet heeft, 11. Het volk wil hen doden die geweigerd hadden Saul tot koning aan te nemen, 12. Maar Saul wil dit niet toelaten, 13. Hij wordt in het koningschap bevestigd te Gilgal, 14.
1Toen trok Nahas, de Ammoniet, op, en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tot Nahas: Maak een verbond met ons, zo zullen wij u dienen.
2Maar Nahas, de Ammoniet, zei tot hen: Mits deze zal ik een verbond met u maken, dat ik u allen het rechteroog uitsteke; en dat ik deze schande op geheel Israël legge.
3Toen zeiden tot hem de oudsten Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al het gebied van Israël; is er dan niemand, die ons verlost, zo zullen wij tot u uitgaan.
4Als de boden te Gibeä-sauls kwamen, zo spraken zij deze woorden voor de oren van het volk. Toen hief al het volk zijn stem op, en huilde.
5En ziet, Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zei: Wat is het volk, dat zij huilen? Toen vertelden zij hem de woorden van de mannen van Jabes.
6Toen kwam de Geest van God met kracht over Saul, als hij deze woorden hoorde; en zijn toorn ontstak zeer.
7En hij nam een paar runderen, en hieuw ze in stukken, en hij zond ze in alle gebied van Israël door de hand van de boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter Samuël, zo zal men zijn runderen doen. Toen viel de vrees voor JAHWEH op het volk, en zij gingen uit als één enig man.
8En hij telde hen te Bezek; en van de Israëlieten waren driehonderd duizend, en van de mannen van Juda dertig duizend.
9Toen zeiden zij tot de boden, die gekomen waren: Zo zult u de mannen te Jabes in Gilead zeggen: Morgen zal u verlossing gebeuren, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen, en verkondigden dat aan de mannen te Jabes, zo werden zij verblijd.
10En de mannen van Jabes zeiden: Morgen zullen wij tot u uitgaan, en u zult ons doen naar alles, wat goed is in uw ogen.
11Het gebeurde nu op de andere dag, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden van het leger, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het gebeurde, dat de overigen zo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee samen bleven.
12Toen zei het volk tot Samuël: Wie is hij, die zei: Zou Saul over ons regeren? Geef hier die mannen, dat wij hen doden.
13Maar Saul zei: Er zal op deze dag geen man gedood worden, want JAHWEH heeft vandaag een verlossing in Israël gedaan.
14Verder zei Samuël tot het volk: Kom en laat ons naar Gilgal gaan, en het koninkrijk daar vernieuwen.
15Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul daar koning voor het aangezicht van JAHWEH te Gilgal; en zij offerden daar dankoffers voor het aangezicht van JAHWEH; en Saul verheugde zich daar geheel zeer, met al de mannen van Israël.