Bijbel1 Samuël

1 Samuël 17

Lees 1 Samuël 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Toen de legers van de Filistijnen en de Israëlieten tegenover elkaar lagen, vers 1 enz. treedt de reus Goliath naar voren, en verschrikt Israël met zijn gestalte, wapens en trotse uitdaging, 4. David, door zijn vader naar het leger tot zijn broeders gezonden, wordt, toen hij dit zag, verdrietig over de trots van deze onbesneden Goliath, en verklaart zich bereid om met hem te strijden, 12. waarover zijn oudste broer hem heftig uitscheldt, 28. Saul laat David halen, die bij zijn aanbod blijft, en geeft de reden van zijn goede moed, 31. hij gaat ongewapend, met zijn staf en slinger, op Goliath af, 38. die hem veracht, vervloekt en bedreigt, 42. maar David, vol geloof en vertrouwen op God, velt hem neer en verslaat hem, 45. Waarop de Filistijnen vluchten en verslagen en geplunderd worden, 51. Saul maakt kennis met David, 55.

1En de Filistijnen verzamelden hun leger ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij sloegen hun kamp op tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.

2Maar Saul en de mannen van Israël verzamelden zich, en sloegen hun kamp op in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.

3De Filistijnen nu stonden aan een berg aan de ene, en de Israëlieten stonden aan een berg aan de andere zijde; en de vallei was tussen hen.

4Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger van de Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.

5En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkels kopers;

6En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;

7En de schacht van zijn speer was als een weversboom, en het lemmer van zijn speer was van zeshonderd sikkels ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.

8Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israël, en zei tot hen: Waarom zou u uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en u knechten van Saul? Kies een man onder u, die tot mij afkome.

9Als hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij u tot knechten zijn; maar als ik hem overwin en hem sla, zo zult u ons tot knechten zijn, en ons dienen.

10Verder zei de Filistijn: Ik heb vandaag de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geef mij een man, dat wij samen strijden!

11Toen Saul en het hele Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, waren zij ontsteld, en vreesden zeer.

12David nu was de zoon van de Efrathische man van Bethlehem-juda, van wie de naam Isaï was, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.

13En de drie grootste zonen van Isaï gingen heen; zij volgden Saul na in de oorlog. De namen nu van zijn drie zonen, die in de oorlog gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.

14En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.

15Maar David ging heen, en kwam weer van Saul, om de schapen van zijn vader te weiden te Bethlehem.

16De Filistijn nu trad toe, 's morgens vroeg en 's avonds. Zo stelde hij zich daar veertig dagen lang.

17En Isaï zei tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broers een efa van dit geroosterd koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broers.

18Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en u zult uw broers bezoeken, of het hun welga, en u zult van hen een teken van leven meenemen.

19Saul nu, en zij, en alle mannen van Israël waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.

20Toen maakte zich David 's morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij de hoeder, en hij nam het op, en ging heen, zoals Isaï hem bevolen had; en hij kwam aan de wagenburg, als het leger in slagorde uittrok, en men ten strijde riep.

21En de Israëlieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.

22David nu liet de voorwerpen van zich, onder de hand van de bewaarder van de voorwerpen, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vroeg zijn broers naar hun welstand.

23Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het leger van de Filistijnen, en hij sprak achtereenvolgens die woorden; en David hoorde ze.

24Maar alle mannen in Israël, als zij die man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.

25En de mannen van Israël zeiden: Hebt u die man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal gebeuren, dat de koning die man, die hem slaat, met grote rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal het huis van zijn vader vrijmaken in Israël.

26Toen zei David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen?

27Opnieuw zei hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Zo zal men de man doen, die hem slaat.

28Als Eliab, zijn grootste broer, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zei: Waarom bent u nu afgekomen, en onder wie hebt u de weinig schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw overmoed, en de boosheid van uw hart wel; want u bent afgekomen, opdat u de strijd zou zien.

29Toen zei David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?

30En hij wendde zich af van die naar een ander toe, en hij zei achtereenvolgens dat woord; en het volk gaf hem weer antwoord, achtervolgens de eerste woorden.

31Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de aanwezigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.

32En David zei tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met deze Filistijn strijden.

33Maar Saul zei tot David: U zult niet kunnen heengaan tot deze Filistijn, om met hem te strijden; want u bent een jongeling, en hij is een soldaat van zijn jeugd af.

34Toen zei David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen van zijn vader, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.

35En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.

36Uw knecht heeft zo de leeuw als de beer geslagen; zo zal deze onbesneden Filistijn zijn, zoals één van die, omdat hij de slagorden van de levende God gehoond heeft.

37Verder zei David: JAHWEH, Die mij van de hand van de leeuw gered heeft, en uit de hand van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. Toen zei Saul tot David: Ga heen, en JAHWEH zij met u!

38En Saul kleedde David met zijn kleren, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.

39En David gordde zijn zwaard aan over zijn kleren, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zei David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.

40En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in de zak, en zijn slinger was in zijn hand; zo naderde hij tot de Filistijn.

41De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.

42Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, en ook knap van uiterlijk.

43De Filistijn nu zei tot David: Ben ik een hond, dat u tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.

44Daarna zei de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogels van de hemel geven, en aan de dieren van het veld.

45David daarentegen zei tot de Filistijn: U komt tot mij met een zwaard, en met een speer, en met een schild; maar ik kom tot u in de Naam van JAHWEH van de legermachten, de God van de slagorden van Israël, Die u gehoond hebt.

46Op deze dag zal JAHWEH u in mijn hand geven, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van het leger van de Filistijnen deze dag aan de vogels van de hemel, en aan de beesten van het veld geven; en de hele aarde zal weten, dat Israël een God heeft.

47En deze hele vergadering zal weten, dat JAHWEH niet door het zwaard, noch door de speer verlost; want de oorlog is van JAHWEH, Die zal u in onze hand geven.

48En het gebeurde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, de Filistijn tegemoet.

49En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof de Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.

50Zo overweldigde David de Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg de Filistijn, en doodde hem; maar David had geen zwaard in de hand.

51Daarom liep David, en stond op de Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmee af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun held dood was, zo vluchtten zij.

52Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden van de Filistijnen vielen op de weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.

53Daarna keerden de Israëlieten om, van het fel najagen van de Filistijnen, en zij beroofden hun legers.

54Daarna nam David het hoofd van de Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.

55Toen Saul David zag uitgaan de Filistijn tegemoet, zei hij tot Abner, de oorlogsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zei: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.

56De koning nu zei: Vraag u het, wiens zoon deze jongeling is.

57Als David keerde terug van het slaan van de Filistijn, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van de Filistijn was in zijn hand.

58En Saul zei tot hem: Wiens zoon bent u, jongeling? En David zei: Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, de Bethlehemiet.