1 Samuël 19
Lees 1 Samuël 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Saul zoekt David te doden, vers 1 enz. Jonathan waarschuwt David, 2. en hij spreekt voor hem bij Saul, 4. Die zweert dat hij David niet zou doden, 6. David komt weer aan het hof, 7. Hij trekt ten strijde en verslaat de Filistijnen, 8. Daarom zoekt Saul David alweer te doden, 10. Michal, Davids vrouw, maakt hem dat bekend, 11. Daarom vluchtte hij, 12. Michal misleidt haar vader, 13. David komt te Rama bij Samuel, 18. Saul zendt boden naar Najoth om David te grijpen: die profeteren, 20. Hij zendt andere boden, die ook profeteren, 21. Hij trekt zelf erheen, 22. en hij profeteert ook, 23.
1Daarom sprak Saul tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Maar Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David.
2En Jonathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wees toch 's morgens op uw hoede, en blijf in het verborgene, en verstop u.
3Maar ik zal uitgaan, en aan de hand van mijn vader staan op het veld, waar u zult zijn; en ik zal van u tot mijn vader spreken, en zal zien wat het zij; dat zal ik u verkondigen.
4Zo sprak dan Jonathan goed van David tot zijn vader Saul; en hij zei tot hem: De koning zondige niet tegen zijn knecht David, omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, en omdat zijn daden voor u zeer goed zijn.
5Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft de Filistijn geslagen, en JAHWEH heeft een groot heil aan het hele Israël gedaan; u hebt het gezien, en u bent verblijd geweest; waarom zou u dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende?
6Saul nu hoorde naar de stem van Jonathan; en Saul zwoer: zo waarachtig als JAHWEH leeft, hij zal niet gedood worden!
7En Jonathan riep David, en Jonathan gaf hem al deze woorden te kennen; en Jonathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren.
8En er werd opnieuw strijd; en David trok uit, en streed tegen de Filistijnen, en hij sloeg hen met een grote slag, en zij vluchtten voor zijn aangezicht.
9Maar de boze geest van JAHWEH was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijn speer was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand;
10Saul nu zocht met de speer David aan de wand te spitten, maar hij ontweek van het aangezicht van Saul, die met de speer in de wand sloeg. Toen vluchtte David, en ontkwam in die nacht.
11Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem 's morgens doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Als u uw ziel deze nacht niet behoedt, zo zult u morgen gedood worden.
12En Michal liet David door een venster neer, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam.
13En Michal nam een beeld, en zij legde het in het bed, en zij legde een geitenvel aan zijn hoofdkussen, en dekte het met een kleed toe.
14Saul nu zond boden, om David te halen. Zij dan zei: Hij is ziek.
15Toen zond Saul boden, om David te bekijken, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode.
16Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdkussen.
17Toen zei Saul tot Michal: Waarom hebt u mij zo bedrogen en hebt mijn vijand laten gaan, dat hij ontkomen is? Michal nu zei tot Saul: Hij zei tot mij: Laat mij gaan, waarom zou ik u doden?
18Zo vluchtte David en ontkwam, en hij kwam tot Samuël te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had; en hij en Samuël gingen heen, en zij bleven te Najoth.
19En men boodschapte Saul, zeggende: Zie, David is te Najoth, bij Rama.
20Toen zond Saul boden heen, om David te halen; die zagen een vergadering van profeten, profeterende, en Samuël staande, over hen gesteld; en de Geest van God was over Sauls boden, en die profeteerden ook.
21Toen men het Saul boodschapte, zo zond hij andere boden, en die profeteerden ook; toen voer Saul voort en zond de derde boden, en die profeteerden ook.
22Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot de grote waterput, die te Sechu was, en hij vraagde en zei: Waar is Samuël, en David? Toen werd hem gezegd: Zie, zij zijn te Najoth bij Rama.
23Toen ging hij daarheen naar Najoth bij Rama; en dezelfde Geest van God was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam.
24En hij trok zelf ook zijn kleren uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuël; en hij viel bloot neer die hele dag, en de hele nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten?