1 Samuël 6
Lees 1 Samuël 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Nadat de ark zeven maanden bij de Filistijnen geweest was, vers 1 enz. overleggen zij met hun priesters hoe zij haar zullen terugzenden, 2. die raden aan dat men haar niet ledig, maar met een geschenk zou terugzenden, 3. namelijk met vijf gouden gezwellen en muizen, 4. op een nieuwe wagen, 7. zo deden de Filistijnen, 10. De koeien die voor de wagen gespannen waren, gingen rechtstreeks naar Beth-Semes, 12. Waar de Levieten daarom offer brengen, 14. Welke vorsten en steden gouden gezwellen en muizen geofferd hebben, 17. De inwoners van Beth-Semes worden zwaar door de HEERE geslagen, omdat zij uit nieuwsgierigheid in de ark keken, 19. Zij verzoeken de inwoners van Kirjath-Jearim de ark vandaar in hun stad te halen, 20.
1Als nu de ark van JAHWEH zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest was,
2Zo riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de ark van JAHWEH doen? Laat ons weten, waarmee wij ze aan haar plaats zenden zullen.
3Zij dan zeiden: Als u de ark van de God van Israël wegzendt, zendt haar niet leeg weg, maar vergeldt Hem geheel een schuldoffer; dan zult u genezen worden, en u zal bekend worden, waarom Zijn hand van u niet afwijkt.
4Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden gezwellen, en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten van de Filistijnen; want het is dezelfde plaag over u allen, en over uw vorsten.
5Zo maakt dan beelden van uw gezwellen, en beelden van uw muizen, die het land verderven, en geeft de God van Israël de eer; misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over u, en van over uw god, en van over uw land.
6Waarom toch zou u uw hart verzwaren, zoals de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen?
7Nu dan, neemt en maakt een nieuwe wagen, en twee zogende koeien, op die geen juk gekomen is; span de koeien aan de wagen, en brengt haar kalveren van achter haar weer naar huis.
8Neem dan de ark van JAHWEH, en zet ze op de wagen, en legt de gouden kleinoden, die u Hem als schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga.
9Zie dan toe, als zij de weg van haar gebied opgaat naar Beth-semes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest.
10En die mensen deden zo, en namen twee zogende koeien, en spanden ze aan de wagen, en haar kalveren sloten zij in huis.
11En zij zetten de ark van JAHWEH op de wagen, en het koffertje met de gouden muizen, en de beelden van hun gezwellen.
12De koeien nu gingen recht in die weg, op de weg naar Beth-semes op een straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechterhand noch ter linkerhand; en de vorsten van de Filistijnen gingen daarachter tot aan de grens van Beth-semes.
13En die van Beth-semes maaiden de tarweoogst in het dal, en als zij hun ogen ophieven, zagen zij de ark en verblijdden zich, als zij die zagen.
14En de wagen kwam op de akker van Jozua, de Beth-semiet, en bleef daar staande; en daar was een grote steen, en zij kloofden het hout van de wagen, en offerden de koeien aan JAHWEH als brandoffer.
15En de Levieten namen de ark van JAHWEH af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinoden waren, en zetten ze op die grote steen; en die mensen van Beth-semes offerden brandoffers, en slachtten slachtoffers voor JAHWEH, op die dag.
16En als de vijf vorsten van de Filistijnen dat gezien hadden, zo keerden zij weer op die dag naar Ekron.
17Dit nu zijn de gouden gezwellen, die de Filistijnen aan JAHWEH als schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod één voor Gaza één, voor Askelon één, voor Gath één, voor Ekron één.
18Ook gouden muizen, naar het getal van alle steden van de Filistijnen, onder de vijf vorsten, van de versterkte steden af tot aan de landvlekken; en tot aan Abel, de grote steen, waarop zij de ark van JAHWEH neergesteld hadden, die tot op deze dag is op de akker van Jozua, de Beth-semiet.
19En de Heere sloeg onder die mensen van Beth-semes, omdat zij in de ark van JAHWEH gezien hadden; ja, Hij sloeg van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat JAHWEH een grote slag onder het volk geslagen had.
20Toen zeiden de mensen van Beth-semes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van JAHWEH, deze heilige God? En tot wie van ons zal Hij optrekken?
21Zo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-jearim, zeggende: De Filistijnen hebben de ark van JAHWEH teruggebracht; kom af, haalt ze omhoog tot u.