1 Samuël 9
Lees 1 Samuël 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Het geslacht van Kis wordt verhaald, vers 1 enz. De persoon van Saul wordt beschreven, 2. Kis zendt Saul om de ezelinnen te gaan zoeken, 3. hij doorkruist het land, maar vindt de ezelinnen niet, 4. Op raad van zijn knecht gaat hij naar Samuel, 6. Samuel gaat Saul tegemoet, 14. God had Samuel geopenbaard dat Saul tot hem zou komen, 15. en gelast dat hij hem tot koning zou maken, 16. Samuel nodigt Saul ter maaltijd, 19. hij zegt hem dat de ezelinnen gevonden waren, en dat hij koning zou worden, 20. wat Saul vreemd voorkomt, 21. Samuel plaatst hem bovenaan, 22. en eert hem met een bijzonder stuk spijs, 23. Samuel spreekt met Saul alleen op het dak, 25. En hij openbaart hem dat hij koning zou worden, 26.
1Er was nu een man van Benjamin, van wie de naam Kis was, een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, de zoon van een man van Jemini, een dapper held.
2Die had een zoon, van wie de naam Saul was, een jongeling, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de Israëlieten; van zijn schouders en omhoog was hij hoger dan al het volk.
3De ezelinnen nu van Kis, de vader van Saul, waren verloren; daarom zei Kis tot zijn zoon Saul: Neem nu één van de jongens met u, en maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen.
4Hij dan ging door het gebergte van Efraïm, en hij ging door het land van Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land van Sahalim, maar zij waren er niet; verder ging hij door het land van Jemini, maar zij vonden ze niet.
5Toen zij in het land van Zuf kwamen, zei Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons terugkeren; dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate, en zich zorgen om ons maakt.
6Hij daarentegen zei tot hem: Zie toch, er is een man van God in deze stad, en hij is een geëerd man; al wat hij spreekt, dat komt zeker; laat ons nu daarheen gaan, misschien zal hij ons onze weg aanwijzen, waarop wij gaan zullen.
7Toen zei Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch die man brengen? Want het brood is weg uit onze voorwerpen, en wij hebben geen gaven, om de man van God te brengen; wat hebben wij?
8En de jongen antwoordde Saul verder en zei: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel van een zilveren sikkel; dat zal ik de man van God geven, opdat hij ons onze weg wijze.
9(Vroeger zei een ieder zo in Israël, als hij ging om God te vragen: Kom en laat ons gaan tot de ziener; want die vandaag een profeet genoemd wordt, die werd vroeger een ziener genoemd.)
10Toen zei Saul tot zijn jongen: Uw woord is goed, kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad, waar de man van God was.
11Als zij opklommen door de opgang van de stad, zo vonden zij maagden, die uitgingen om water te putten; en zij zeiden tot haar: Is de ziener hier?
12Toen antwoordden zij hun, en zeiden: Zie, hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is vandaag in de stad gekomen, omdat het volk vandaag een offergave heeft op de hoogte.
13Wanneer u in de stad komt, zo zult u hem vinden, voordat hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, voordat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult u hem vinden.
14Zo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden van de stad kwamen, ziet, zo ging Samuël uit hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte.
15Want JAHWEH had het voor Samuëls oor geopenbaard, één dag voordat Saul kwam, zeggende:
16Morgen ongeveer deze tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, die zult u tot voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit de hand van de Filistijnen, want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat het geroep daarvan tot Mij gekomen is.
17Toen Samuël Saul aanzag, zo antwoordde hem JAHWEH: Zie, dit is de man, over wie Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen.
18En Saul naderde tot Samuël in het midden van de poort, en zei: Wijs mij toch, waar is hier het huis van de ziener?
19En Samuël antwoordde Saul en zei: Ik ben de ziener; ga op voor mijn aangezicht op de hoogte, dat u vandaag met mij eet; zo zal ik u morgen vroeg laten gaan, en alles, wat in uw hart is, zal ik u te kennen geven.
20Want wat de ezelinnen betreft, die u vandaag de derde dag verloren hebt, zet uw hart daarop niet, want zij zijn gevonden; en van wie zal zijn al het gewenste, dat in Israël is? Is het niet van u, en van het hele huis van uw vader?
21Toen antwoordde Saul, en zei: Ben ik niet een zoon van Jemini, van de kleinsten van de stammen van Israël? en mijn geslacht is het niet het kleinste van al de geslachten van de stam van Benjamin? Waarom spreekt u mij dan aan met zulke woorden?
22Samuël dan nam Saul en zijn jongen, en hij bracht ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste van de genodigden; die nu waren ongeveer dertig man.
23Toen zei Samuël tot de kok: Breng dat stuk, dat ik u gegeven heb, waarvan ik tot u zei: Zet het bij u weg.
24De kok nu bracht een schouder op, met wat daaraan was, en zette het voor Saul; en hij zei: Zie, dit is het overgeblevene; zet het voor u, eet, want het is op de vastgestelde tijd voor u bewaard, als ik zei: Ik heb het volk genodigd. Zo at Saul met Samuël op die dag.
25Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak.
26En zij stonden vroeg op; en het gebeurde, ongeveer de opgang van de dageraad, zo riep Samuël Saul op het dak, zeggende: Sta op, dat ik u gaan late. Toen stond Saul op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuël, naar buiten.
27Toen zij afgegaan waren aan het einde van de stad, zo zei Samuël tot Saul: Zeg de jongen, dat hij voor onze aangezichten heenga; toen ging hij heen; maar sta u als nu stil, en ik zal u Gods woord doen horen.