Bijbel

1 Tessalonicensen

Nieuwe Testament · 5 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Toen de apostel Paulus te Tessalonica, de hoofdstad van Macedonië, met groot levensgevaar een goede gemeente bijeengebracht had, heeft hij vanwege de vervolging door de Joden die daar woonden en het marktgepeupel ophitsten, met Silas en Timotheüs moeten vluchten naar Berea, en vandaar naar Athene, waarbij hij Timotheüs en Silas in Berea achterliet, zoals dit uitgebreider verteld wordt in Hand. 17. Maar toen daarna Timotheüs en Silas ook in Athene gekomen waren, heeft Paulus, omdat hij bezorgd was over deze prille gemeente van Tessalonica, Timotheüs daarheen gezonden om hen te versterken. En toen Timotheüs van Tessalonica weer naar Paulus te Korinthe teruggekeerd was, en hij door hem op de hoogte gebracht was van hun toestand, heeft hij het goed gevonden deze brief aan hen te schrijven, zoals hij in het begin van hoofdstuk 3 verklaart. Deze brief omvat, na het apostolisch opschrift, in het bijzonder twee delen. In het eerste deel versterkt hij hen in het aangenomen geloof, tot het einde van hoofdstuk 3, en dat doet hij vooral door een verslag van de volgende vier dingen. In hoofdstuk 1 getuigt hij, met een dankzegging daarover tot God, met hoeveel ijver en ernst zij het geloof in Christus hebben aangenomen, en zich van de afgoden tot God bekeerd hebben. In hoofdstuk 2 houdt hij hun zijn vrijmoedigheid, oprechtheid, vlijt en levenswandel onder hen voor ogen, opdat hij hun in alles een goed voorbeeld zou geven, en dit doet hij tot vers 14. In de volgende verzen vertelt hij over de verdrukkingen die zij, evenals hij, van de Joden en andere landgenoten geduldig hadden doorstaan, tot vers 17. Vandaar betuigt hij voort tot het einde van hoofdstuk 3 met zeer ernstige woorden het grote verlangen dat hij had om hen weer te zien en meer en meer aan te vullen wat aan hun geloof ontbrak, en met dat doel had hij ook Timotheüs naar hen gezonden. Daarna komt hij in het begin van hoofdstuk 4 tot het tweede deel van de brief, namelijk de vermaningen tot een christelijke levenswandel en verschillende deugden, die hij behandelt tot vers 13 toe. Vandaar handelt hij over het matigen van het verdriet over hun doden, en bij die gelegenheid beschrijft hij uitvoerig de heerlijkheid van Christus' tweede komst ten oordeel, en de orde van de opstanding van de doden, hoewel het tijdstip daarvan onzeker is, tot vers 4 van hoofdstuk 5. Vandaar keert hij tot het einde van de brief terug tot verschillende vermaningen, en vooral om altijd waakzaam en op zijn hoede te zijn, hun leraren in ere te houden, voortdurend te bidden enzovoort. Zo besluit hij de brief met een gebed voor hen tot God, de gebruikelijke groet, en een dringend verzoek dat zij deze brief aan alle broeders zullen laten voorlezen.