1 Tessalonicensen 4
Lees 1 Tessalonicensen 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel vermaant hen voorts in het algemeen tot een godzalige wandel. 3 en in het bijzonder tot kuisheid en eerbaarheid. 6 tot rechtvaardigheid in hun handel. 9 tot broederlijke liefde. 11 tot een rustig leven en het doen van hun eigen zaken. 13 Hij vermaant hen ook dat zij hun droefheid zullen matigen over hen die ontslapen zijn. 14 omdat die door Christus weer opgewekt zullen worden. 15 die uit de hemel zal komen met een groot geroep en de stem van de aartsengel, om hen die gestorven zijn eerst uit de doden op te wekken. 17 en daarna hen samen met de anderen, die dan nog zullen leven, tot zich op te nemen.
1Verder dan, broeders, wij bidden en vermanen u in de Heere Jezus, zoals u van ons ontvangen hebt, hoe u moet wandelen en voor God behagen, dat u daarin meer overvloedig wordt.
2Want u weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door de Heere Jezus.
3Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat u zich onthoudt van de hoererij;
4Dat ieder van u wete zijn lichaam te bezitten in heiligmaking en eer;
5Niet in kwade beweging van de begeerlijkheid, zoals de heidenen, die God niet kennen.
6Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, zoals wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben.
7Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiligmaking.
8Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heilige Geest in ons heeft gegeven.
9Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelf bent van God geleerd om elkaar lief te hebben.
10Want u doet ook hetzelfde aan al de broeders, die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat u meer overvloedig wordt;
11En dat u zich beijvert stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben;
12Opdat u eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding nodig hebt.
13Maar, broeders, ik wil niet, dat u onwetend bent van degenen, die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent, zoals de anderen, die geen hoop hebben.
14Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weer brengen met Hem.
15Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heere, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heere, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.
16Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van de aartsengel, en met de bazuin van God nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
17Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen samen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heere wezen.
18Zo dan, vertroost elkaar met deze woorden.