Bijbel1 Tessalonicensen

1 Tessalonicensen 5

Lees 1 Tessalonicensen 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel leert dat Christus onverwacht ten oordeel zal komen, als een dief in de nacht, en als de barensnood over een vrouw: 4 Vermaant hen daarom altijd op hun hoede en nuchter te zijn. 8 en gewapend met het borstwapen van het geloof en de liefde, en met de helm van de hoop van de zaligheid. 12 Bidt dat zij hun voorgangers in ere zullen houden. 14 en vermaant hen voorts tot verschillende christelijke deugden. 17 ook tot bidden en danken. 19 tot het waarnemen van de Geest en de profetie, om het goede te behouden. 23 Bidt daarna God dat hij hen onberispelijk beware tot de komst van Christus, met de belofte dat hij het ook zal doen. 25 Vermaant hen dat zij voor hem bidden en elkaar groeten. 27 en bezweert hen dat deze brief voor allen gelezen wordt.

1Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! heb u niet nodig, dat men u schrijve.

2Want u weet zelf zeer wel, dat de dag van de Heere zo zal komen, zoals een dief in de nacht.

3Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw; en zij zullen het in geen geval ontvluchten;

4Maar u, broeders, u bent niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.

5U bent alle kinderen van het licht, en kinderen overdag; wij zijn niet in de nacht, noch van de duisternis.

6Zo laat ons dan niet slapen, zoals de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.

7Want die slapen, slapen in de nacht, en die dronken zijn, zijn in de nacht dronken;

8Maar wij, die overdag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid.

9Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus.

10Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, samen met Hem leven zouden.

11Daarom vermaant elkaar, en sticht de één de anderen, zoals u ook doet.

12En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in de Heere, en u vermanen;

13En acht hen zeer veel in liefde, omwille van hun werk. Wees vreedzaam onder elkaar.

14En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, wees geduldig tegenover allen.

15Zie, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt alle tijd het goede na, zo tegenover elkaar als tegenover allen.

16Verblijd u altijd.

17Bid zonder ophouden.

18Dank God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u.

19Blus de Geest niet uit.

20Veracht de profetieën niet.

21Beproef alle dingen; behoudt het goede.

22Onthoud u van allen schijn van het kwaad.

23En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heere Jezus Christus.

24Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.

25Broeders, bidt voor ons.

26Groet al de broeders met een heilige kus.

27Ik bezweer u bij de Heere, dat deze zendbrief al de heiligen broeders gelezen wordt.

28De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u. Amen.