2 Koningen
Oude Testament · 25 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
De geschiedenis van de koningen van Israël en Juda, die in het vorige boek begonnen was, wordt nu in dit boek voltooid. Wat betreft de koningen van Israël: die zijn met hun onderdanen hardnekkig in hun afgoderij gebleven, hoewel de een gruwelijker was dan de ander. Daarom heeft de HEERE hen niet alleen door de dienst van zijn profeten, maar ook door zeer zware straffen voortdurend tot bekering geroepen. Ja, als een voorspel van hun volledige ondergang als zij zich niet zouden bekeren, heeft hij de stam Naftali door Tiglat-Pileser naar Assyrië laten wegvoeren. Maar het heeft niets geholpen. Het is wel zo dat God voor zichzelf altijd een uitverkoren overblijfsel van ware gelovigen behouden heeft, waaraan de scholen en gemeenschappen van de profeten veel goeds gedaan hebben; maar omdat de afvalligen geen einde aan hun goddeloosheid maakten, heeft God hen ten slotte, na een rechtvaardig oordeel, van zijn aangezicht weggeworpen. Want Salmanassar, de koning van Assyrië, die met een grote legermacht het land Israël binnengevallen was, heeft na een driejarig beleg de stad Samaria ingenomen en de Israëlieten in gevangenschap weggevoerd naar Assyrië, zijn land, waarmee dit koninkrijk een einde genomen heeft, na, volgens sommige berekeningen, vanaf de verdeling van de stammen ongeveer 262 jaar geduurd te hebben. Een niet veel mildere straf is het koninkrijk Juda ten slotte overkomen. Want hoewel de wettige godsdienst bij de Joden meestal in stand bleef, vooral wanneer godvruchtige koningen en flinke hogepriesters alle ijver aanwendden om de afgoderij te weren en het vervallene in de godsdienst trouw weer op te richten, heeft het volk toch de wettige godsdienst met veel afgodisch bijgeloof vermengd, of die in elk geval niet oprecht gemeend. En ook al hielden de ernstige vermaningen van de profeten en de werkelijke kastijdingen van de HEERE, waardoor zij tot bekering geroepen werden, niet op, toch zijn de gruwelen in de godsdienst en de overtredingen in het dagelijks leven zo groot en talrijk geworden dat God dit volk overgegeven heeft in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, die het land verwoest, de stad Jeruzalem ingenomen, de tempel verbrand en de Joden in gevangenschap naar Babel weggevoerd heeft. Dit is gebeurd toen dit rijk van Juda, nadat de tien stammen ervan afgescheurd waren, ongeveer 395 jaar (naar de mening van sommigen) bestaan had. Maar God heeft zijn toorn zo gematigd dat hij trouw gebleven is aan zijn woord en beloften, omdat hij altijd een uitverkoren volk en het geslacht van David, waaruit de Messias naar het vlees moest voortkomen, met een geheel vaderlijke zorg bewaard heeft tot de tijd van zijn komst. De geschiedenis van dit boek omvat de tijd van ongeveer 320 jaar.