Bijbel2 Koningen

2 Koningen 10

Lees 2 Koningen 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Jehu doodt zeventig zonen van Achab, vers 1, enz. en de verwanten van koning Ahazia, 12. komt met Jonadab de Rechabiet te Samaria, 15. waar hij alle priesters en profeten van Achab doodt, zijn beelden en tempel afbreekt, 18. maar hij hangt de zonde van Jerobeam aan, 29. wordt verdrukt door Hazaël, de koning van Syrië, 32. sterft, zijn zoon Joahaz regeert, 35.

1Achab nu had zeventig zonen te Samaria; en Jehu schreef brieven, die hij zond naar Samaria, tot de oversten van Jizreël, de oudsten, en tot de verzorgers van Achab, zeggende:

2Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, omdat de zonen van uw heer bij u zijn, ook de wagens en de paarden bij u zijn, en ook een versterkte stad, en wapenen;

3Zo ziet naar de beste en gerechtigste van de zonen van uw heer, zet die op de troon van zijn vader; en strijdt voor het huis van uw heer.

4Maar zij vreesden heel erg, en zeiden: Zie, twee koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan bestaan?

5Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten, en al wat u tot ons zeggen zult, zullen wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat goed is in uw ogen.

6Toen schreef hij voor de tweede keer tot hen een brief, zeggende: Zo u van mij bent, en u naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen van uw heer, en komt tot mij morgen ongeveer deze tijd naar Jizreël. (De zonen nu van de koning, zeventig mannen, waren bij de grote stad, die hen opvoedden.)

7Het gebeurde dan, als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen van de koning namen, en zeventig mannen sloegen; en zij legden hun hoofden in manden, die zij tot hem zonden naar Jizreël.

8En er kwam een bode, en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de hoofden van de zonen van de koning gebracht. En hij zei: Leg ze in twee hopen, aan de deur van de poort, tot morgen.

9En het gebeurde 's morgens, toen hij uitging, dat hij stil stond, en tot al het volk zei: U bent rechtvaardig. Zie, ik heb een samenzwering gemaakt tegen mijn heer, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft alle deze geslagen?

10Weet nu, dat niets van het woord van JAHWEH, dat JAHWEH tegen het huis van Achab gesproken heeft, zal op de aarde vallen; want JAHWEH heeft gedaan, wat Hij door de dienst van Zijn knecht Elia gesproken heeft.

11Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevenen van het huis van Achab te Jizreël, en al zijn groten, en zijn bekenden, en zijn priesters; totdat hij hem geen overigen liet overblijven.

12En hij maakte zich op, en trok heen en ging naar Samaria; en zijnde te Beth-Heked van de herders, op de weg,

13Vond Jehu de broers van Ahazia, de koning van Juda, en hij zei: Wie bent u? En zij zeiden: Wij zijn de broers van Ahazia, en zijn afgekomen, om de zonen van de koning en de zonen van de koningin te groeten.

14Toen zei hij: Grijp hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij de bornput van Beth-Heked, twee en veertig mannen, en hij liet niet één van hen over.

15En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jonadab, de zoon van Rechab, hem tegemoet; die hem groette; en hij zei tot hem: Is uw hart recht, zoals mijn hart met uw hart is? En Jonadab zei: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op de wagen klimmen.

16En hij zei: Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor JAHWEH. Zo deden zij hem rijden op zijn wagen.

17En toen hij te Samaria kwam, sloeg hij allen, die aan Achab te Samaria overgebleven waren, totdat hij hem vernietigd had, naar het woord van JAHWEH, dat Hij tot Elia gesproken had.

18En Jehu verzamelde al het volk, en zei tot hen: Achab heeft Baäl een beetje gediend; Jehu zal hem veel dienen.

19Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesters tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offergave aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Maar Jehu deed dat door list, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht.

20Verder zei Jehu: Roep een dag van samenkomst voor Baäl af. En zij riepen die uit.

21Ook zond Jehu in het hele Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet één man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd van het ene einde tot het andere einde.

22Toen zei hij tot degene, die over het klederhuis was: Breng voor alle dienaren van Baäl de kleding uit. En hij bracht voor hen de kleding uit.

23En Jehu kwam met Jonadab, de zoon van Rechab, in het huis van Baäl; en hij zei tot de dienaren van Baäl: Onderzoek, en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van de dienaren van JAHWEH, maar van de dienaren van Baäl alleen.

24Toen zij nu inkwamen, om slachtoffers en brandoffers te doen, bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zei: Zo iemand van de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt, zijn ziel zal voor diens ziel zijn.

25En het gebeurde, als hij voltooid had het brandoffer te doen, dat Jehu zei tot de lijfwachten en tot de officieren: Kom in, slaat hen, dat niemand uitkome. En zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard; en de lijfwachten en officieren wierpen hen weg; daarna kwamen zij tot de stad in het huis van Baäl;

26En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baäl, en verbrandden ze.

27Zij braken ook het opgerichte beeld van Baäl af; daartoe braken zij het huis van Baäl af, en maakten dat tot geheime gemakken, tot op deze dag.

28Zo vernietigde Jehu Baäl uit Israël.

29Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren.

30JAHWEH dan zei tot Jehu: Daarom dat u welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op de troon van Israël zitten.

31Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet van JAHWEH, van de God van Israël, met zijn hele hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam, die Israël zondigen deed.

32In die dagen begon JAHWEH Israël af te korten, want Hazaël sloeg ze in alle gebied van Israël:

33Van de Jordaan af, tegen de opgang van de zon, het hele land van Gilead, van de Gadieten, en van de Rubenieten, en van de Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan.

34Het overige nu van de geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?

35En Jehu ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats.

36En de dagen, die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren.