Bijbel2 Koningen

2 Koningen 11

Lees 2 Koningen 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Athalia doodt het hele koninklijke geslacht, vers 1, enz. uitgezonderd Joas, 2. die, zeven jaar oud zijnde, door het beleid van Jojada koning wordt van Juda, 4. Athalia, die het bewind aan zich getrokken had, wordt gedood, 13. Het verbond wordt vernieuwd tussen God, de koning en het volk, 15. de Baälsdienst uitgeroeid, 18. en de koning op zijn koninklijke troon gezet, 19.

1Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht het hele koninklijke nageslacht om.

2Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd.

3En hij was met haar verstopt in het huis van JAHWEH zes jaren; en Athalia regeerde over het land.

4In het zevende jaar nu zond Jojada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de lijfwachten, en hij bracht hen tot zich, in het huis van JAHWEH; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis van JAHWEH, en hij toonde hun de zoon van de koning.

5En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis van de koning;

6En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de lijfwachten; zo zult u waarnemen de taak van dit huis, tegen inbreking.

7En de twee delen van u, allen, die op de sabbat uitgaan, zullen de taak van het huis van JAHWEH waarnemen bij de koning.

8En u zult de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en bent u bij de koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt.

9De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jojada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op de sabbat ingingen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; en zij kwamen tot de priester Jojada.

10En de priester gaf aan de oversten van honderd de speren en de schilden, die van de koning David geweest waren, die in het huis van JAHWEH geweest waren.

11En de lijfwachten stonden, ieder met zijn wapenen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis, tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis toe, bij de koning rondom.

12Daarna bracht hij de zoon van de koning voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve!

13Toen Athalia hoorde de stem van de lijfwachten en van het volk, zo kwam zij tot het volk in het huis van JAHWEH.

14En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij de pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad!

15Maar de priester Jojada gebood aan de oversten van honderd, die over het leger gesteld waren, en zei tot hen: Breng haar uit tot buiten de ordeningen, en doodt, wie haar volgt, met het zwaard; want de priester had gezegd: Laat ze in het huis van JAHWEH niet gedood worden.

16En zij legden de handen aan haar; en zij ging de weg van de ingang van de paarden naar het huis van de koning, en zij werd daar gedood.

17En Jojada maakte een verbond tussen JAHWEH en tussen de koning, en tussen het volk, dat JAHWEH tot een volk zou zijn; en ook tussen de koning en tussen het volk.

18Daarna ging al het volk van het land in het huis van Baäl, en braken dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij volkomen; en Mattan, de priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu bestelde de ambten in het huis van JAHWEH.

19En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de lijfwachten, en al het volk van het land; en zij brachten de koning af uit het huis van JAHWEH, en kwamen door de weg van de poort van de lijfwachten tot het huis van de koning, en hij zat op de troon van de koningen.

20En al het volk van het land was blij, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden bij het huis van de koning.

21Joas was zeven jaar oud, toen hij koning werd.