Bijbel2 Koningen

2 Koningen 12

Lees 2 Koningen 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Joas regeert vroom, zolang als Jojada leefde, vers 1, enz. hij stelt orde dat de tempel hersteld wordt, 4. hij keert Hazaël van Jeruzalem af, door hem de schatten van de tempel te geven, 17. hij wordt door zijn knechten gedood, en zijn zoon Amazia wordt koning in zijn plaats, 20.

1In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja van Ber-Seba.

2En Joas deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, al zijn dagen, waarin de priester Jojada hem onderwees.

3Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.

4En Joas zei tot de priesters: Al het geld van de gewijde gaven, dat gebracht zal worden in het huis van JAHWEH, te weten het geld van degene, die overgaat tot de ingeschrevenen, het geld van een ieder van de personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis van JAHWEH,

5Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de bouwvalligheden van het huis herstellen, naar alles wat er aan bouwvalligheden gevonden zal worden.

6Maar het gebeurde in het drie en twintigste jaar van de koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden.

7Toen riep de koning Joas de priester Jojada en de andere priesters, en zei tot hen: Waarom betert u niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat u het zou geven voor de breuken van het huis.

8En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren.

9Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van JAHWEH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van JAHWEH gebracht werd.

10Het gebeurde nu, als zij zagen, dat veel geld in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van JAHWEH gevonden werd.

11En zij gaven het geld wel gewogen in handen van de verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis van JAHWEH; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwers, die het huis van JAHWEH vermaakten;

12En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis van JAHWEH te verbeteren, en voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren.

13Echter werden niet gemaakt voor het huis van JAHWEH zilveren schalen, messen, sprengbekkens, trompetten, noch enig gouden voorwerp, of zilveren voorwerp, van het geld, dat in het huis van JAHWEH gebracht werd.

14Maar zij gaven dat aan degenen, die het werk deden; en zij verbeterden daarmee het huis van JAHWEH.

15Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wie zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouw.

16Het geld van schuldoffer, en het geld van zondoffers werd in het huis van JAHWEH niet gebracht; het was voor de priesters.

17Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en voerde strijd tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken.

18Maar Joas, de koning van Juda, nam al de gewijde gaven, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaders, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn gewijde gaven, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis van JAHWEH, en van het huis van de koning, en zond het tot Hazaël, de koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.

19Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

20En zijn knechten stonden op, en maakten een samenzwering, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla;

21Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaders in de stad van David; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.