Bijbel2 Koningen

2 Koningen 15

Lees 2 Koningen 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Azaria hangt de HEERE aan, vers 1, enz. wordt met melaatsheid gestraft en sterft, 5. Zacharia wordt koning over Israël, 8. door Sallum gedood, 10. die regeert en door Menahem gedood wordt, 13. Menahems regering, 16. Hij wordt door Pul in zijn rijk bekrachtigd, 19. sterft, en Pekahia wordt koning in zijn plaats, 23. wordt gedood door Pekah, die in zijn plaats komt, 25. In wiens tijd een deel van de Israëlieten door Tiglath-Pileser naar Assyrië gevoerd wordt, 29. Hosea doodt Pekah en komt in zijn plaats, 30. Jotham regeert over Juda, 32. na hem regeert Achaz, 38.

1In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, de koning van Juda.

2Hij was zestien jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jecholia van Jeruzalem.

3En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.

4Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.

5En JAHWEH plaagde de koning, dat hij melaats werd tot de dag van zijn dood; en hij woonde in een afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over het huis, richtende het volk van het land.

6Het overige nu van de geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

7En Azaria ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem bij zijn vaders, in de stad van David; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.

8In het acht en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël te Samaria, zes maanden.

9En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, zoals zijn vaders gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.

10En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een samenzwering tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.

11Het overige nu van de geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

12Dit was het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op de troon van Israël zitten; en het is zo gebeurd.

13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.

14Want Menahem, de zoon van Gadi, trok op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, de zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.

15Het overige nu van de geschiedenissen van Sallum, en zijn samenzwering, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

16Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar gebied van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar zwangere vrouwen hieuw hij in stukken.

17In het negen en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël, en regeerde tien jaren te Samaria.

18En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.

19Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilver, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.

20Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land.

21Het overige nu van de geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?

22Daarna ontsliep Menahem met zijn vaders; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.

23In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria.

24En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.

25En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een samenzwering tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis van de koning, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen van de Gileadieten; zo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.

26Het overige nu van de geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

27In het twee en vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël, en regeerde twintig jaren te Samaria.

28En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.

29In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het hele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.

30En Hosea, de zoon van Ela, maakte een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia.

31Het overige nu van de geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

32In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda.

33Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.

34En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.

35Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelfde bouwde de hoge poort aan het huis van JAHWEH.

36Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?

37In die dagen begon JAHWEH in Juda te zenden Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia.

38En Jotham ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.