2 Koningen 19
Lees 2 Koningen 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Hizkia laat de profeet Jesaja de lasteringen van Rabsake aanzeggen, vers 1, enz. Jesaja belooft van de HEERE verlossing, 6. Sanherib wordt gedwongen op te trekken tegen de Moren, 8. zendt weer boden aan Hizkia met godslasterlijke brieven, 10. Hizkia bidt de HEERE om hulp, 14. die Jesaja hem andermaal toezegt, 20. In diezelfde nacht wordt het Assyrische leger door de engel van God verslagen, en Sanherib, te Ninevé gekomen zijnde, wordt door zijn zonen vermoord, 35.
1En het gebeurde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van JAHWEH.
2Daarna zond hij Eljakim, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, met zakken bedekt, tot Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz;
3En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van de benauwdheid, en van de schelding, en van de lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.
4Misschien zal JAHWEH, uw God, horen al de woorden van Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om de levende God te honen, en te schelden, met woorden, die JAHWEH, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.
5En de knechten van de koning Hizkia kwamen tot Jesaja.
6En Jesaja zei tot hen: Zo zult u tot uw heer zeggen: Zo zegt JAHWEH: Vrees niet voor de woorden, die u gehoord hebt, waarmee Mij de dienaren van de koning van Assyrië gelasterd hebben.
7Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
8Zo kwam Rabsake weer, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.
9Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Zie, hij is uitgetrokken om tegen u te strijden, zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende:
10Zo zult u spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Wie u vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van Assyrië niet gegeven worden.
11Zie, u hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zou u gered worden?
12Hebben de goden van de volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelfde gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?
13Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
14Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van JAHWEH, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van JAHWEH.
15En Hizkia bad voor het aangezicht van JAHWEH, en zei: O JAHWEH, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt.
16O, JAHWEH! neig Uw oor en hoor, doe, JAHWEH! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die deze gezonden heeft, om de levende God te honen.
17Werkelijk, JAHWEH, hebben de koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest;
18En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.
19Nu dan, JAHWEH, onze God, verlos ons toch uit zijn hand; zo zullen alle koninkrijken van de aarde weten, dat U, JAHWEH, alleen God bent.
20Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, zeggende: Zo spreekt JAHWEH, de God van Israël: Dat u tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord.
21Dit is het woord, dat JAHWEH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
22Wie hebt u gehoond en gelasterd? en tegen Wie hebt u de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de Heilige van Israël!
23Door middel van uw boden hebt u JAHWEH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld.
24Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen verdroogd.
25Hebt u niet gehoord, dat Ik dat lang te voren gedaan heb en dat van oude dagen af gevormd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat u zou zijn, om de versterkte steden te verstoren tot woeste hopen.
26Daarom waren haar inwoners handeloos; zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras van het veld, en de groene grasscheutjes, het hooi van de daken, en het brandkoren, voordat het overeind staat.
27Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
28Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen terugkeren door die weg, waardoor u gekomen bent.
29En dat zij u een teken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.
30Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal opnieuw naar beneden wortelen, en zal omhoog vrucht dragen.
31Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion; de ijver van JAHWEH van de legermachten zal dit doen.
32Daarom zo zegt JAHWEH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.
33Door de weg, die hij gekomen is, door die zal hij terugkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt JAHWEH.
34Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en omwille van David, Mijn knecht.
35Het gebeurde dan in die nacht, dat de Engel van JAHWEH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
36Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en trok heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve.
37Het gebeurde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich neerboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.